ECLI:NL:HR:2026:329

ECLI:NL:HR:2026:329

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer 23/04205
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1307

Samenvatting

Rijden onder invloed van cannabis, art. 8.5 WVW 1994. Dubbel verstek. Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz. in hoger beroep per e-mail door raadsman gedaan op de grond dat verdachte (vermoedelijk) geen weet heeft van zitting en in buitenland verblijft, door hof afgewezen o.g.v. overweging dat onvoldoende duidelijk is of verdachte ttz. aanwezig wil zijn en door raadsman onvoldoende redenen zijn aangedragen om behandeling van zaak aan te houden. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1158 en HR:2019:1142 m.b.t. beoordeling van aanhoudingsverzoek in situatie waarin raadsman voorafgaand aan tz. aangeeft dat hij geen contact kan krijgen met verdachte, dat hij het mogelijk acht dat verdachte geen weet heeft van zitting en om die reden aanhoudingsverzoek doet. Hof heeft verzoek van raadsman tot aanhouding van onderzoek ttz. omdat verdachte mogelijk geen weet heeft van zitting, afgewezen op de grond dat door raadsman onvoldoende redenen zijn aangedragen om behandeling van zaak aan te houden. Nu hof niet heeft vastgesteld dat oproeping in h.b. aan verdachte in persoon is uitgereikt of dat verdachte anderszins op de hoogte is geraakt van datum van zitting, had hof afweging moeten maken tussen alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen. Hof heeft er echter niet blijk van gegeven die afweging te hebben gemaakt. Hof heeft daarom afwijzing van aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04205

Datum 3 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 augustus 2023, nummer 22-000152-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder onder meer in:

“De voorzitter doet mededeling van:

- een e-mail d.d. 14 augustus 2023 van de raadsman, waarin hij meldt dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met zijn cliënt, dat hij vermoedt dat zijn cliënt niet op de hoogte is van de zittingsdatum en dat zijn cliënt in Marokko verblijft, zo heeft hij vernomen van een (ver) familielid van de verdachte. De raadsman doet een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak (zo mogelijk voor bepaalde tijd). Ook deelt de raadsman mede dat hij - gelet op het ontbreken van contact met de verdachte en de reistijd tussen Den Haag en [plaats] - niet ter zitting zal verschijnen;

- een e-mail d.d. 14 augustus 2023 van de advocaat-generaal, waaruit blijkt dat zij zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak;

- een e-mail d.d. 14 augustus 2023 van het hof aan de raadsman en de advocaat-generaal, waarin het hof meldt dat de door raadsman genoemde redenen het hof geen aanleiding geven om de zaak op voorhand aan te houden;

- een e-mail d.d. 15 augustus 2023 van [betrokkene 1] waarin zij het hof vraagt de behandeling van de zaak te verzetten omdat haar broer niet in Nederland is en niet op de hoogte is van de zitting;

- een e-mail d.d. 15 augustus 2023 van de advocaat-generaal, waaruit blijkt dat voornoemde mail van [betrokkene 1] haar niet brengt tot een ander standpunt dan reeds ingenomen ten aanzien van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

De voorzitter deelt mede:

Het aanhoudingsverzoek van de verdediging is niet op voorhand door het hof gehonoreerd.

Er wordt door de raadsman geen expliciet beroep gedaan op het aanwezigheidsrecht van zijn cliënt. Onvoldoende duidelijk is of de verdachte vandaag aanwezig wil zijn bij de zitting. De raadsman heeft zijn cliënt niet gesproken en hij heeft enkel van een (ver) familielid vernomen dat zijn cliënt in Marokko verblijft. De dagvaarding is rechtsgeldig betekend. Al met al zijn er door de raadsman onvoldoende redenen aangedragen om de behandeling van de zaak aan te houden. Ook de zus (zo vermoedt het hof) heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, maar zij is geen procespartij. Het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.

De advocaat-generaal vraagt het hof verstek te verlenen tegen de verdachte.

De voorzitter verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.”

Als de raadsman, zoals in deze zaak, voorafgaand aan de terechtzitting aangeeft dat hij geen contact kan krijgen met de verdachte en dat hij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting, en om die reden een aanhoudingsverzoek doet met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde machtiging, is voor de beoordeling van zo’n verzoek – naast wat daarover is overwogen in onder meer HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737 – het volgende van belang.

De aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte (mogelijk) geen weet heeft van de zitting, kan zonder meer als “niet aannemelijk” worden beoordeeld als de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting in persoon is betekend. Dan kan de rechter het verzoek al op deze grond afwijzen.

Als de dagvaarding of de oproeping niet in persoon is uitgereikt, maar wel op rechtsgeldige wijze – dat wil zeggen: in overeenstemming met de ter zake geldende wettelijke voorschriften (artikel 36a-36n Sv) alsmede de in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking gebrachte regels (vgl. in het bijzonder HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163) – is betekend, kan de rechter dat verzoek niet op die enkele grond afwijzen. Uit zo’n betekening volgt immers niet zonder meer dat de verdachte op de hoogte is van de zitting. In dat geval is een afwijzing van het aanhoudingsverzoek op de grond dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, alleen mogelijk als op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting.

Als niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1158.)

Bij die belangenafweging kan betekenis toekomen aan de omstandigheid dat de dagvaarding of de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep op rechtsgeldige wijze, zij het niet in persoon, is betekend. Zoals tot uitdrukking is gebracht in HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.36-3.37, mag dan immers van de verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman – die uit eigen hoofde een afschrift van de appeldagvaarding ontvangt als hij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Het kennelijk niet treffen door de verdachte van dergelijke in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen kan de rechter in hoger beroep – naast andere factoren die daarvoor van belang kunnen zijn, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak – in de vereiste belangenafweging betrekken. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142.)

Het hof heeft het verzoek van de raadsman tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting omdat de verdachte mogelijk geen weet heeft van de zitting afgewezen, kort gezegd op de grond dat door de raadsman onvoldoende redenen zijn aangedragen om de behandeling van de zaak aan te houden. Nu het hof niet heeft vastgesteld dat de oproeping in hoger beroep aan de verdachte in persoon is uitgereikt of dat de verdachte anderszins op de hoogte is geraakt van de datum van de zitting, had het hof de onder 2.3.4 en 2.3.5 bedoelde afweging moeten maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het hof heeft er echter niet blijk van gegeven die afweging te hebben gemaakt. Het hof heeft daarom de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?