HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00330 B
Datum 10 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/028267, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
De cassatiemiddelen klagen onder meer over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de voortduring van het beslag niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Voor zover de cassatiemiddelen hierover klagen, slagen zij. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00322 B, ECLI:NL:HR:2026:334.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.