HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00328 B
Datum 10 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/028274, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
gevestigd in [plaats] ,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot opheffing van de gelegde beslagen voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen:
“De ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat ten laste van klagers beslag is gelegd. Dat betekent dat zij als belanghebbenden worden aangemerkt.
Een van de vragen die de rechtbank in het kader van de ontvankelijkheidsvraag dient te beantwoorden is of er in onderhavig geval sprake is van een ingestelde vervolging in de zin van artikel 552a Sv. (...)
De rechtbank maakt daarbij onderscheid tussen klagers [medeklager 1] , [medeklager 2] en [medeklager 3] . enerzijds, en [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] op hierna uiteen te zetten gronden.
(...)
Voor de klagers [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] is geen machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek. Deze rechtspersonen zijn op dit moment niet als verdachte aangemerkt. In openbare raadkamer heeft klager [medeklager 1] desgevraagd een toelichting gegeven met betrekking tot zijn betrokkenheid bij deze bedrijven. Klager [medeklager 1] heeft verklaard ‘Ultimate Beneficial Owner’ (UBO) te zijn van al deze bedrijven. Hij is 100% aandeelhouder van [klaagster] , waar [medeklager 4] een 100% dochtervennootschap van is. [medeklager 5] is weer een 100% dochtervennootschap van [medeklager 4] . Daarnaast is klager [medeklager 1] (enig) aandeelhouder en bestuurder van [medeklager 6]
De rechtbank constateert dan ook dat klager [medeklager 1] ten aanzien van alle niet verdachte vennootschappen in elk geval vanuit deze verhoudingen en de getrapte structuur onmiddellijk dan wel middellijk een sleutelrol heeft met betrekking tot het dagelijks bestuur van de vennootschappen. Dat onder deze entiteiten in Luxemburg, Malta en België beslagen zijn gelegd hangt ontegenzeglijk samen met het tegen [medeklager 1] ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de stelling van het Openbaar Ministerie in het verweerschrift van 7 april 2024 dat klagers [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] nog aangemerkt kunnen worden als verdachte als er gelet op voornoemd lopend strafrechtelijk financieel onderzoek een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van deze vennootschappen blijkt te zijn.
Nu geen sprake is van een ingestelde vervolging zou de ontvankelijkheid van het beklag van deze klagers beoordeeld moeten worden langs de maatstaf van artikel 552a, vierde lid Sv, derhalve ‘zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 2 jaar na inbeslagneming’. De rechtbank stelt vast dat enkel het beklag van [medeklager 5] met betrekking tot het onder Goldman Sachs gelegde beslag tijdig zou zijn, want binnen 2 jaar na beslagdatum 3 januari 2022.
Nu er een grote onderlinge samenhang bestaat tussen de onder alle klagers gelegde beslagen, gelet op de achterliggende eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen, het beklag van [medeklager 5] deels op tijd is, en de mogelijkheid reëel is dat klagers alsnog tot verdachte bestempeld en vervolgd zullen worden zal de rechtbank mede om redenen van proceseconomie aan voorgaand aspect voorbijzien en ook het beklag van [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] beoordelen langs de ten aanzien van klagers [medeklager 1] , [medeklager 2] en [medeklager 3] aangelegde maatstaf van artikel 552a, derde lid Sv, en hun beklag ontvankelijk achten.
Klagers zijn derhalve allen ontvankelijk in het ingediende beklag.
Inhoudelijke beoordeling
Er is sprake van conservatoir beslag uit hoofde van artikel 94a Sv. Teneinde rechtsgeldig conservatoir beslag te leggen dient te worden voldaan aan de hiervoor geldende voorwaarde, namelijk dat sprake is van enige verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Ten aanzien van klagers is er gelet op de inhoud van de door het Openbaar Ministerie aangeleverde stukken sprake van een verdenking van overtreding van artikel 1 van de Wet op de Economische delicten (WED) juncto artikel 1 onder a en artikel 36 van de Wet op de Kansspelen (WOK), een verdenking van witwassen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Aan de hiervoor genoemde voorwaarde is dus voldaan.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter aan de klager, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Daarbij heeft het onderzoek een summier karakter. De rechter die oordeelt over het beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak.
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat er wederrechtelijk verkregen voordeel is ontstaan bij klagers en is voornemens een ontnemingsprocedure aanhangig te maken. In de visie van het Openbaar Ministerie is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat te zijner tijd door de strafrechter een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd.
Klagers hebben op dit punt geen verweer gevoerd.
Gelet op de op dit moment beschikbare informatie acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de later oordelende strafrechter een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Proportionaliteit en subsidiariteit voortzetten beslag
(...)
Jegens klagers [medeklager 1] , [medeklager 2] en [medeklager 3] bestaat een verdenking van strafbare feiten waarmee (veel) wederrechtelijk voordeel kan zijn verkregen, waarbij sprake kan zijn van ‘vervolgprofijt’. Dit kan eveneens het geval zijn voor de niet verdachte klagers.
(...)
Gelet op al wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.”
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval waarin op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beslag is gelegd en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt. De rechter moet daarvan in zijn beslissing blijk geven. Als die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter ook moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. (Vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144.)
Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het klaagschrift. Dit betekent dat haar beschikking ontoereikend is gemotiveerd.
Het cassatiemiddel is gegrond.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede tot en met het zesde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.