HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01744
Datum 6 maart 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE HAARLEM,
zetelende te Haarlem,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de burgemeester,
advocaat: R.D. Boesveld.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/13/762110 FA RK 24-9176 van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De burgemeester heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening als in de conclusie onder 3.43 vermeld.
De advocaat van de burgemeester heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Betrokkene is op 19 december 2024 om 15.00 uur ten behoeve van een medische verklaring onderzocht door een onafhankelijke psychiater. De medische verklaring is op diezelfde dag om 17.00 uur ondertekend door de psychiater. De psychiater verklaart daarin het ernstige vermoeden te hebben dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis waaruit gedrag voortvloeit dat een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel veroorzaakt. In de verklaring is bij ‘huidig verblijfadres’ ingevuld ‘ [GGZ] ’. Dit betreft de GGZ-instelling [GGZ] in [plaats 1] .
(ii) Betrokkene is op 19 december 2024 in de avond overgeplaatst naar een accommodatie in [plaats 2] .
(iii) Op 20 december 2024 om 08.31 uur is betrokkene gehoord door de Nationale Hoorservice.
(iv) De burgemeester heeft op 20 december 2024 om 10.27 uur ten aanzien van betrokkene een crisismaatregel genomen als bedoeld in art. 7 lid 1 Wvggz (hierna: de crisismaatregel).
In dit geding heeft betrokkene op grond van art. 7:6 Wvggz beroep ingesteld tegen de crisismaatregel.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Ten aanzien van het onbevoegd afgeven van de crisismaatregel door de burgemeester
Niet ter discussie staat dat betrokkene zich in [plaats 2] bevond op het moment dat de locoburgemeester van Haarlem de crisismaatregel heeft afgegeven. Als in Khonraad gezien moet kunnen worden waar een betrokkene op het moment van raadplegen geplaatst is dan zal duidelijk zijn dat kennelijk enige informatie in Khonraad niet goed was genoteerd.
In bovenstaande zaak had, nadat overplaatsing had plaatsgevonden én voldoende duidelijk was geworden bij de burgemeester van Haarlem, overleg moeten plaatsvinden tussen de burgemeester van Haarlem en Amsterdam. Zo valt althans op te maken uit de overwegingen in 3.13 van de Advocaat-Generaal op 15 juni 2020 (zie daarvoor ook ECLI:NL:PHR:2020:611) en zou er ook iets voor te zeggen zijn om burgemeester van beide gemeenten bevoegd te verklaren in een dergelijke situatie. (…)
Nu kennelijk onvoldoende duidelijk bij de burgemeester van Haarlem is gebleven of betrokkene was overgeplaatst en met welke burgemeester dan vervolgens overleg over de crisismaatregel moest plaatsvinden of die moest nemen, is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester van Haarlem bevoegd was om die crisismaatregel te nemen. Immers, de burgemeester mag er vanuit gaan dat de informatie in de medische verklaring over de plaats van opname klopt, maar zal wel met een collega-burgemeester uit een andere gemeente moeten overleggen indien zeker is dat een betrokkene is overgeplaatst naar een andere aan de burgemeester dan bekende gemeente. Daarbij dient naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke overplaatsing natuurlijk zo snel als mogelijk door de zorgaanbieder / geneesheer-directeur/ zorgverantwoordelijke aan de beslissende instantie [te] worden gemeld.
Overschrijding termijn(en)
Terecht stelt de burgemeester dat de wet hem geen termijn oplegt waarbinnen hij moet beslissen en duidelijk is dat de burgemeester ook belast is met een hoorplicht alvorens te beslissen. Dat dit in dit geval er voor heeft gezorgd dat de beslissing op de crisismaatregel ongeveer 19,5 uur na het onderzoek van de onafhankelijke psychiater is afgegeven, maakt echter niet dat de burgemeester onbevoegd was of dat deze beslissing onrechtmatig was. Wel stelt de rechtbank met betrokkene vast dat de duur tussen onderzoek en beslissing ertoe heeft geleid dat betrokkene langer dan twaalf uren na afronding van de medische verklaring (artikel 7:3, tweede lid, van de Wvggz) onderworpen is geweest aan ingrijpende vormen van tijdelijke verplichte zorg voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel. Echter, dit maakt het nemen van de crisismaatregel zelve evenwel niet onrechtmatig.”
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel I van het middel bevat onder meer de klacht dat de rechtbank de burgemeester van Haarlem ten onrechte bevoegd heeft geacht, dan wel dat dit oordeel onbegrijpelijk is, aangezien vaststaat dat de burgemeester van Haarlem de crisismaatregel heeft genomen op 20 december 2024 terwijl betrokkene reeds op 19 december 2024 naar [plaats 2] was gebracht.
Ingevolge art. 7:1 Wvggz kan de burgemeester een crisismaatregel nemen ten aanzien van een persoon “die zich in zijn gemeente bevindt”. Het onderdeel stelt de vraag aan de orde naar welk moment moet worden bepaald of de betrokkene zich ‘in zijn gemeente bevindt’ als bedoeld in deze bepaling.
In een vergelijkbare zaak onder een voorloper van de Wvggz, de Krankzinnigenwet, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, nu ten aanzien van de betrokkene het in art. 35b van die wet bedoelde ernstige vermoeden dat hij een onmiddellijk dreigend gevaar voor anderen of voor de openbare orde opleverde, reeds was ontstaan toen hij zich nog te Vlaardingen bevond, de burgemeester van Vlaardingen bevoegd was de beschikking tot inbewaringstelling te geven.
Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.18, komt het in de praktijk voor dat de betrokkene gedurende de voorbereidingsprocedure van een crisismaatregel van de ene naar een andere gemeente wordt vervoerd. Doorgaans zal de medische verklaring als bedoeld in art. 7:1 lid 3, onder a, Wvggz via het in de praktijk gebruikte systeem Khonraad worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zich bevindt ten tijde van het opstellen van die medische verklaring. Als zou worden aangenomen dat die burgemeester niet bevoegd is tot het nemen van een crisismaatregel indien de betrokkene op het moment waarop die maatregel wordt genomen, zich niet langer in diens gemeente bevindt, zou dit tot praktische problemen kunnen leiden. Zo is het in de – veelal zeer korte, en soms nachtelijke uren bestrijkende – tijdsspanne tussen het moment waarop de medische verklaring ter voorbereiding van een crisismaatregel wordt ingediend en het moment waarop wordt beslist over de verzochte crisismaatregel, niet steeds mogelijk die burgemeester te informeren over het vervoer van de betrokkene naar een andere gemeente. Dat geldt ook voor het informeren van de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zich inmiddels bevindt. Verder zou dit in voorkomend geval ertoe leiden dat laatstbedoelde burgemeester de betrokkene moet horen terwijl de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zich aanvankelijk bevond, de betrokkene reeds gehoord heeft.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.4 is overwogen, brengt een redelijke en op de eisen van de praktijk afgestemde uitleg van art. 7:1 Wvggz mee dat tot het nemen van een crisismaatregel bevoegd is de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zich bevindt op het moment dat een psychiater een medische verklaring als bedoeld in art. 7:1 lid 3, onder a, Wvggz indient (bijvoorbeeld in het systeem Khonraad) waarin is vermeld dat de situatie, bedoeld in art. 7:1 lid 1 Wvggz, zich voordoet, te weten, kort gezegd, dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarden voor het nemen van een crisismaatregel, onder meer dat er een ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van de betrokkene als gevolg van een psychische stoornis ernstig nadeel veroorzaakt. Dit strookt met wat gold onder de Krankzinnigenwet (zie hiervoor in 3.1.3).
Nu betrokkene zich bevond in [plaats 1] op het moment dat de psychiater een medische verklaring indiende waarin was vermeld dat, kort gezegd, voldaan was aan de wettelijke voorwaarden voor het nemen van een crisismaatregel (zie hiervoor in 2.1 onder (i)), was de burgemeester van Haarlem bevoegd de crisismaatregel te nemen. Hierop stuit het onderdeel af.
Onderdeel II keert zich tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 4.3) dat het tijdsverloop van 19,5 uur tussen het onderzoek door de psychiater en het nemen van de crisismaatregel door de burgemeester niet leidt tot onrechtmatigheid van de crisismaatregel. Het onderdeel betoogt dat, nu in art. 7:3 lid 2 Wvggz de maximale duur wordt vermeld van verplichte zorg in afwachting van een crisismaatregel, van de burgemeester mag worden verwacht dat deze die maximale duur betrekt bij de termijn waarbinnen hij beslist, en dat hij in dit geval dus eerder had moeten beslissen, dan wel een nieuwe procedure gestart had moeten worden.
Het onderdeel faalt. De Wvggz bevat geen beslistermijn voor het nemen van een crisismaatregel door de burgemeester. De parlementaire geschiedenis van de Wvggz bevat geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de burgemeester bij het beslissen over het nemen van een crisismaatregel gebonden is aan de duur van de periode, genoemd in art. 7:3 lid 2 Wvggz, die geldt voor het verlenen van verplichte zorg voorafgaand aan een beslissing over een crisismaatregel. De burgemeester is dus ook nadat reeds gedurende de maximale periode als bedoeld in art. 7:3 lid 2 Wvggz tijdelijke verplichte zorg is verleend, nog bevoegd een crisismaatregel te nemen. Tijdelijke verplichte zorg op de voet van art. 7:3 Wvggz kan dan echter niet meer worden verleend.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 maart 2026.