ECLI:NL:HR:2026:347

ECLI:NL:HR:2026:347

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 06-03-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer 25/01590
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2025:281
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1363

Samenvatting

Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Huwelijksgoederengemeenschap. Art. 1:94 lid 5 (oud) BW. Borgtocht. Art. 7:850 BW. Zijn schulden waarvoor man zich als borg heeft verbonden gemeenschapsschulden? Hoofdelijke aansprakelijkheid. Art. 6:7 BW. Is interne draagplicht van echtgenoot ten opzichte van medeschuldenaar bepalend voor vraag of en voor welke omvang schuld als gemeenschapsschuld geldt?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/01590

Datum 6 maart 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk,

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: de vrouw,

advocaat: C.G.A. van Stratum,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , Frankrijk,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de man,

advocaat: thans R.T. Wiegerink, aanvankelijk M.E.M.G. Peletier.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaken C/09/632615 FA RK 22-4727 en C/09/642443 FA RK 23-920 van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2023;

b. de beschikking in de zaken 200.334.532/01 en 200.334.540/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025.

De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025 en tot verwijzing.

De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in algehele wettelijke gemeenschap van goederen.

(ii) De huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden door indiening van een echtscheidingsverzoekschrift.

(iii) [betrokkene 1] heeft leningen verstrekt aan met de man verbonden vennootschappen, waaronder HR Logistic Services B.V. (hierna: HR Logistic Services). De man heeft zich voor een deel van die leningen als medeschuldenaar en/of borg verbonden.

Partijen hebben in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, verzocht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. De man heeft onder meer verzocht te bepalen dat alle schulden aan [betrokkene 1] tot de gemeenschapsschulden behoren en bij helfte worden gedeeld.

De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, geoordeeld dat de totale schuld die de man tezamen met HR Logistic Services is aangegaan € 1.904.653,10 bedraagt, de man in de interne verhouding tot HR Logistic Services een bijdrageplicht heeft van 50% (€ 952.326,55) en partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft van dit bedrag (€ 476.163,28) draagplichtig zijn.

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en onder meer bepaald dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen van [betrokkene 1] . Het hof heeft zijn oordeel als volgt toegelicht.

Een gevolg van de algehele wettelijke gemeenschap van goederen is dat in beginsel alle goederen in de gemeenschap vallen en dat in beginsel alle schulden op de huwelijksgoederengemeenschap verhaalbaar zijn. Op basis van art. 1:100 BW moet de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte worden verdeeld. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van een verdeling bij helfte worden afgeweken. Art. 6:102 BW houdt in dat de echtgenoot die de schuld niet is aangegaan, jegens de schuldeiser hoofdelijk aansprakelijk wordt. (rov. 5.2)

De vrouw heeft geen uitzonderlijke omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat zij niet voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de gemeenschapsschulden. (rov. 5.37)

De man heeft in zijn beroepschrift gesteld dat partijen sinds 2015 geld lenen voor een zakelijk project en dat partijen sinds 2019 geld lenen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De man stelt verder in zijn beroepschrift dat partijen hoofdelijk, samen met een medeschuldenaar, leningen zijn aangegaan bij [betrokkene 1] . (rov. 5.39)

De man heeft producties in het geding gebracht met betrekking tot deze gemeenschapsschulden. In productie 69 geeft de man een overzicht weer van alle gelden die [betrokkene 1] aan de man dan wel aan de met hem verbonden vennootschappen heeft geleend tot aan de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. Als de bedragen bij elkaar worden opgeteld (afgerond), komt dit uit op € 6.016.399,--. (rov. 5.40)

De man heeft zich als hoofdelijk schuldenaar verbonden voor de schulden van de vennootschappen of zich als borg verbonden. De vrouw was volledig van de gang van zaken rond de leningen en hypothecaire zekerheidsstelling op de hoogte en deze had haar instemming. De schulden van de man aan [betrokkene 1] moeten worden gekwalificeerd als gemeenschapsschulden. Partijen zijn gelijk draagplichtig voor deze gemeenschapsschulden, en als deze gemeenschapsschulden rentedragend zijn, zijn beide partijen dus ook gelijk draagplichtig voor de rentetermijnen die ontstaan (zijn) na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. (rov. 5.48)

3. Beoordeling van het middel

Onderdeel 1 en onderdeel 4 van het middel klagen over het oordeel van het hof (in rov. 5.48) dat de schulden van de vennootschappen aan [betrokkene 1] waarvoor de man zich als hoofdelijk schuldenaar of als borg heeft verbonden, als gemeenschapsschulden gelden.

Volgens onderdeel 1 getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de schuld van de vennootschappen door de borgstelling niet de schuld van de borg wordt.

Onderdeel 4 voert onder meer aan dat voor het antwoord op de vraag of en tot welk bedrag een schuld waarvoor een echtgenoot zich hoofdelijk heeft verbonden in de huwelijksgoederengemeenschap valt, de interne draagplicht van de echtgenoot ten opzichte van zijn medeschuldenaar bepalend is.

De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Een borg verbindt zich op grond van art. 7:850 lid 1 BW tot nakoming van de verbintenis die de hoofdschuldenaar tegenover zijn schuldeiser heeft of zal krijgen. De borg is daarmee (op grond van art. 7:850 lid 3 BW in beginsel hoofdelijk) aansprakelijk voor de schuld van de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser. Op grond van art. 1:94 lid 5 (oud) BW, dat bepaalt dat de huwelijksgoederengemeenschap in beginsel alle schulden van ieder van de echtgenoten omvat, valt ook een uit borgtocht voortvloeiende schuld van de echtgenoot in de gemeenschap. Onderdeel 1 faalt dan ook.

Ook onderdeel 4 slaagt niet. De (hoofdelijke) aansprakelijkheid van één van de echtgenoten jegens een schuldeiser bepaalt of en voor welke omvang de schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Indien een echtgenoot zich als medeschuldenaar (hoofdelijk) heeft verbonden tot nakoming van de gehele schuld (art. 6:7 BW), valt deze schuld krachtens art. 1:94 lid 5 (oud) BW in de gemeenschap.

Onderdeel 9 klaagt onder meer dat het hof (in rov. 5.40) niet in zijn oordeel heeft betrokken het betoog van de vrouw dat de man zich ten aanzien van een deel van de schulden van de aan hem verbonden vennootschappen niet als medeschuldenaar of borg heeft verbonden.

De klacht slaagt. De vrouw heeft in haar verweerschrift in hoger beroep tevens inhoudende incidenteel appel aangevoerd dat de man zich ten aanzien van een deel van de schulden niet als medeschuldenaar heeft verbonden. De man heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep onder 54 erkend dat uit de overgelegde notariële akte van 1 september 2020 (productie 72) blijkt dat [betrokkene 1] en HR Logistic Services een geldleningsovereenkomst zijn aangegaan, waarbij zeven al bestaande zakelijke leningen zijn samengevoegd tot een nieuwe lening ter hoogte van een bedrag van € 867.034,--, en dat de man zich voor deze schuld niet als medeschuldenaar of borg heeft verbonden. In het licht van deze standpunten van partijen is het oordeel van het hof in rov. 5.40 ten aanzien van alle gelden die [betrokkene 1] aan de man dan wel aan de aan de man verbonden vennootschappen heeft geleend, onbegrijpelijk.

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?