HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/02383 B
Datum 17 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 30 mei 2025, nummer RK 24/030345, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de gegrondverklaring van het klaagschrift door de rechtbank.
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave aan de klager van een inbeslaggenomen personenauto, gegrond verklaard en de teruggave van die auto aan de klager gelast. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen:
“De officier van justitie heeft meegedeeld dat klager niet zal worden vervolgd voor het aanwezig hebben van de kilometerblocker in zijn auto. Ter beoordeling ligt slechts voor of het beslag moet voortduren in verband met de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van de auto. In een separate beslissing komt de raadkamer tot het oordeel dat die vordering tot onttrekking moet worden afgewezen, omdat de auto niet van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Er bestaat dan ook geen belang meer bij voortduring van het beslag.”
In de met deze zaak samenhangende zaak 25/02382 B (ECLI:NL:HR:2026:349) heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld dat het oordeel van de rechtbank dat het ongecontroleerde bezit van de betreffende auto niet in strijd is met het algemeen belang, ontoereikend is gemotiveerd. Daarom slaagt het cassatiemiddel.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.