HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/03703
Datum 6 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende),
vertegenwoordigd door [A],
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juli 2025, nrs. 24/2112 ZW en 24/2113 WIA, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2025.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.