HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04422
Datum 10 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 november 2024, nummer 23-000590-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat I.J.G. van Raab van Canstein bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de strafverzwarende omstandigheid van artikel 285 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dat de bewezenverklaarde bedreiging ‘schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde’ is geschied.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 30 juli 2023 te [plaats] [voormalig minister] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [voormalig minister] dreigend de woorden toe te voegen: “Bij mijn tante is long k geconstateerd. Altijd gezond geweest maar volledig vaccinatie gehad. Komt het ooit uit dat het door de vaccinatie komt v.ermo.ord ik je @[voormalig minister] inclusief je dochter”.”
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt en terwijl deze wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van Minister”.
Het hof heeft over de kwalificatie overwogen:
“Ook het verweer dat de bedreiging niet onder een voorwaarde zou zijn geschied, wordt verworpen. De eis dat de aangever met de voorwaarde onder druk moet worden gezet om iets te doen, niet te doen of te laten door de bedreiging, waar de verdediging van lijkt uit te gaan, wordt in het tweede lid van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) namelijk niet gesteld. Daarbij merkt het hof op dat een ander wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden onder bedreiging van geweld ook een ander strafbaar feit oplevert, te weten dwang, strafbaar gesteld in artikel 284 Sr. De verdachte heeft gedreigd dat hij de aangever, voormalig minister [...], en diens dochter zou vermoorden als ooit uit zou komen dat de ‘long k’ (het hof begrijpt: longkanker) van zijn tante het gevolg is van de vaccinatie. Hiermee is de bedreiging geschied onder een bepaalde voorwaarde zoals bedoeld in artikel 285, tweede lid, Sr.”
Artikel 285 lid 1, 2 en 5 (oud) Sr is geplaatst in Titel XVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht waarin strafbaar zijn gesteld ‘Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. Deze bepaling – die voor zover hier van belang niet verschilt van de nu geldende tekst – luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:
“1. Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt, wordt ze gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
5. Indien het feit, omschreven in het eerste, tweede of derde lid wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van Minister, Staatssecretaris, commissaris van de Koning, gedeputeerde, burgemeester, wethouder, lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, rechterlijk ambtenaar, advocaat, journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring, ambtenaar van politie of buitengewoon opsporingsambtenaar wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.”
Tijdens de beraadslagingen van de Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt 1870/1876 (naar haar voorzitter ook Commissie De Wal geheten), die het oorspronkelijk regeringsontwerp van het Wetboek van Strafrecht heeft voorbereid, stelde het commissielid A.E.J. Modderman voor als “casus gravior” (strafverzwarende omstandigheid) te vermelden “de schriftelijke bedreiging met voorwaarde”. Ter ondersteuning van dit voorstel merkte een ander commissielid (A.A. de Pinto) op dat de meerdere “graviteit” (ernst) van zo’n bedreiging in het bijzonder hieruit bestaat dat door het gebruik van de voorwaarde “die zijde van het delict welke blijkens de plaatsing in dezen titel op den voorgrond treedt, namelijk de inbreuk op de persoonlijke vrijheid, (...) zeer wordt verergerd”. Vervolgens is bij meerderheidsbeslissing het voorstel aangenomen om de schriftelijke bedreiging onder voorwaarde als een strafverzwarende omstandigheid op te nemen. (Vgl. A.J.A. van Dorst e.a. (red.), Notulen Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafrecht, 1870/1876 (voorzitter J. de Wal), Deel II, Tilburg 1976, p. 416 tot en met 418.)
In het licht van de ratio van het tweede lid van artikel 285 Sr, zoals deze volgt uit de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis, en gelet op de plaatsing van de bepaling in de titel betreffende ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’, moet dit artikellid zo worden uitgelegd dat de daarin bedoelde ‘voorwaarde’ ertoe moet kunnen leiden dat de bedreigde (nader) wordt beperkt in zijn keuze- en handelingsvrijheid. Dit betekent dat aan de bedreiging een zodanige voorwaarde wordt verbonden dat het in voldoende mate binnen de invloedssfeer van de geadresseerde ligt of die voorwaarde al dan niet wordt vervuld. Dit kan in het bijzonder aan de orde zijn als de strekking van de voorwaarde is, dat de geadresseerde een bepaalde gedraging moet verrichten of juist moet nalaten. Daarbij hoeft de voorwaarde niet rechtstreeks betrekking te hebben op het gedrag van de geadresseerde. Van een ‘voorwaarde’ als bedoeld in artikel 285 lid 2 Sr kan ook sprake zijn als de intreding van het door de bedreiger beoogde resultaat niet alleen een gedraging van de geadresseerde vergt, maar mede afhankelijk is van het gedrag van anderen. Als daarentegen aan de bedreiging een voorwaarde wordt verbonden die geheel buiten de invloedsfeer van de geadresseerde ligt, dan is – gelet op wat hiervoor is overwogen over de ratio – de in het tweede lid van artikel 285 Sr bedoelde strafverzwaringsgrond niet van toepassing.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft gedreigd dat hij voormalig minister [...] en diens dochter zou vermoorden als ooit zou uitkomen dat de longkanker van de tante van de verdachte het gevolg is van vaccinatie. Op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat de bewezenverklaarde bedreiging is geschied “onder een bepaalde voorwaarde” als bedoeld in artikel 285 lid 2 Sr. Dit oordeel getuigt, gelet op wat onder 3.3.3 is vooropgesteld, van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft dan ook ten onrechte deze strafverzwarende omstandigheid in de kwalificatie opgenomen.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld, maar leidt bij gebrek aan belang niet tot cassatie. Daarbij is onder meer van belang dat een juiste kwalificatie niet leidt tot een lager maximum van de op het bewezenverklaarde gestelde straf omdat het hof bij de kwalificatie, zoals weergegeven onder 3.2.2, ook de in het vijfde lid van artikel 285 Sr bedoelde strafverzwarende omstandigheid heeft toegepast (die ziet op de bedreiging van ambt- en gezagsdragers). Verder blijkt niet uit de motivering van de opgelegde taakstraf van zestig uren dat het hof de strafverzwaringsgrond van het tweede lid van artikel 285 Sr in aanmerking heeft genomen bij de strafoplegging. Gelet op dit alles volstaat de Hoge Raad met het verbeterd lezen van de kwalificatie van het bewezenverklaarde.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.