ECLI:NL:HR:2026:383

ECLI:NL:HR:2026:383

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer 24/02483
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:97

Samenvatting

Caribische zaak. Medeplegen vervoeren en aanwezig hebben van ruim 1.600 kg cocaïne op boot in Caribische Zee nabij Venezuela, art. 3.B en 3.C Opiumlandsverordening 1960. Afwijzing van herhaald verzoek om resultaten van onderzoek door Landsrecherche bij processtukken te voegen, art. 4.1 SvC. V.zv. middel klaagt over afwijzing door hof op tz. van 8-2-2024 van het op tz. van 18-1-2024 gedane verzoek tot voeging van stukken, kan het niet tot cassatie leiden omdat na die afwijzing het onderzoek ttz. opnieuw is aangevangen wegens gewijzigde samenstelling van hof en betreffende beslissing daardoor niet in stand is gebleven (vgl. HR:2010:BL8797). Verzoek dat namens verdachte is gedaan om stukken van onderzoek van Landsrecherche in dossier te voegen, is door hof opgevat als verzoek tot voeging van (proces)stuk a.b.i. art. 371 SvC. Maatstaf bij beoordeling van zo’n verzoek is o.g.v. art. 358.1 SvC of noodzaak van verzochte is gebleken. Bij nemen van zijn beslissing hierover moet rechter in aanmerking nemen dat o.g.v. art. 4.1 SvC in beginsel alle stukken aan dossier moeten worden toegevoegd die i.v.m. verdenking tegen bepaalde persoon ten behoeve van politie en justitie zijn verzameld, v.zv. zij op die persoon betrekking hebben en v.zv. zij in het verband van diens strafvervolging worden gebruikt. Daarmee heeft art. 4.1 SvC oog op stukken die voor de ttz. door rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om relevantie van die stukken (vgl. HR:2022:900). Hof heeft overwogen dat Landsrecherche een onderzoek heeft ingesteld naar feiten en omstandigheden die hebben geleid tot dood van kapitein van boot. Verder heeft hof overwogen dat uitkomst van dat onderzoek niet relevant is voor enige te nemen beslissing in strafzaak tegen deze verdachte en dat vraag of geweldsaanwending tegen kapitein onrechtmatig was a.b.i. art. 2 EVRM niet ter beoordeling van hof voorligt. Daarnaast heeft hof in zijn beschouwing betrokken dat, ook als sprake zou zijn van normschending tegen kapitein, het niet verdachte is die is getroffen in belang dat overtreden norm beoogt te beschermen. Ook heeft hof overwogen dat ook overigens niet is gebleken van normschending in strafzaak van verdachte a.b.i. art. 413 SvC, waaronder schending van art. 2 of 3 EVRM. O.g.v. deze overwegingen heeft hof het verzoek om voeging van stukken van onderzoek van Landsrecherche bij processtukken afgewezen. Daarmee heeft hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat die stukken niet redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de door hof te nemen beslissingen. Dat oordeel getuigt tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en is (ook in het licht van wat door verdediging ter onderbouwing van verzoek naar voren is gebracht) toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat hof heeft vastgesteld dat onderzoek van Landsrecherche niet is gericht op vraag of in onderzoek naar verdachte sprake is geweest van normschendingen. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02484C en 24/02485C.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02483 C

Datum 17 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 6 juni 2024, nummer H-106/23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.A. Franken bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Waar het in deze zaak om gaat

De advocaat-generaal heeft in haar conclusie onder 2 samengevat waar het in deze zaak om gaat:

“Op 25 juli 2022 is de bemanning van het vaartuig [A] (verder: [A] ) door de Kustwacht Caribisch Gebied erop gewezen dat een vaartuig (‘ [B] ’) was gespot op een bekende smokkelroute nabij Punto Fijo (Venezuela). Hierop heeft [A] twee bijboten (‘Frisc’s’) gelanceerd. Door de leden van het interceptieteam die zich op de Frisc’s bevonden, werd gezien dat de bemanning van de (inmiddels stateloos verklaarde) [B] balen overboord gooide. Door de leden van het interceptieteam zijn eerst waarschuwingsschoten gelost om [B] tot stoppen te dwingen en toen deze niet effectief bleken, is toestemming verkregen om op niet vitale delen van [B] te schieten. [B] bevond zich op dat moment in internationale wateren. Nadat [B] uiteindelijk was gestopt, is het interceptieteam daarop overgestapt. Op enig moment daarna is de kapitein van [B] (de broer van de verdachte) door een lid van het interceptieteam door het hoofd geschoten en om het leven gekomen. De overige vier op de boot aanwezige personen zijn aangehouden. Daarnaast zijn 54 balen inbeslaggenomen, die – naar later bleek – cocaïne bevatten. De verdachte is veroordeeld wegens het samen met zijn mededaders vervoeren en aanwezig hebben van ruim 1.600 kilo cocaïne.”

3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het herhaalde verzoek van de verdediging om de resultaten van het onderzoek door de Landsrecherche naar aanleiding van de onder 2 bedoelde gebeurtenis te voegen bij de processtukken.

Voor zover het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof op de terechtzitting van 8 februari 2024 van het op de terechtzitting van 18 januari 2024 gedane verzoek tot voeging van die stukken, kan het niet tot cassatie leiden omdat na die afwijzing het onderzoek op de terechtzitting opnieuw is aangevangen wegens een gewijzigde samenstelling van het hof en de betreffende beslissing daardoor niet in stand is gebleven (vgl. HR 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8797).

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Uw Hof weet dat de verdediging gevraagd heeft om meer informatie, met name om de verklaringen van de betrokken opsporingsambtenaren en van de verdachten in het onderzoek van de Landsrecherche. Volgens het Gerecht (vonnis, p. 5) gaat het in casu niet om de vraag of het optreden rechtmatig was, maar of het gevolg van dat optreden (te weten: de dood van de kapitein) gevolgen moet hebben in de strafzaken tegen de verdachten. Het onderzoek naar de rechtmatigheid van het optreden maakt volgens het Gerecht geen onderdeel uit van de strafzaak tegen de verdachten. Dat oordeel van het Gerecht is onjuist. Alleen al het feit dat een verweer is gevoerd over de rechtmatigheid van dat optreden, maakt dat de rechter onderzoek moet doen naar dat optreden. Dat is alleen anders, in het geval op voorhand duidelijk is dat de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn. Maar die uitzondering doet zich vanzelfsprekend niet voor: de beelden maken duidelijk dat er een stevige basis is voor het verweer en het feit dat er een onderzoek is ingesteld door de Landsrecherche toont eveneens aan dat er een solide feitelijke grondslag voor de verweren bestaat.

Dat betekent dat de resultaten van het onderzoek van de Landsrecherche direct relevant zijn voor de beoordeling van het verweer. En dat betekent dat wij dus kennis moet kunnen nemen van de verklaringen van de betrokken opsporingsambtenaren en van de verdachten. Wat hebben zij gezegd over het uitgeoefende geweld en de noodzaak daarvan? Het kan niet zo zijn dat we daarover moeten speculeren, zoals het Gerecht heeft gedaan (p. 6), door te overwegen dat “zonder meer voorstelbaar is dat er bij de militairen onzekerheid bestond over de aanwezigheid van nog meer (vuur)wapens bij de verdachten” en “kennelijk heeft dit handelen door de kapitein en de verdachten voor de desbetreffende militair in de zich op dat moment voordoende situatie tot het oordeel geleid dat toepassing van geweld noodzakelijk was om tot aanhouding van de verdachten te kunnen overgaan, ook al hebben de verdachten op dat moment geen wapens in hun handen.” Het is zeker niet goed dat in het vonnis woorden als “voorstelbaar” en “kennelijk” worden gebruikt, terwijl gewoon aan de hand van de verklaringen van opsporingsambtenaren en verdachten meer duidelijkheid kan worden verkregen over de omvang en de ernst van de schendingen 1, 2 en 3 hierboven.

Daarom is primair weer het verzoek: geef mij die stukken!! (...)

Bovendien is de verdediging van de kast naar de muur gestuurd. Op 31 augustus 2022 weigert de zaaksofficier [naam 1] mij de verhoren van de Landsrecherche te geven, en stuurt mij naar [naam 2] die nog met een onderzoek bij de landsrecherche bezig zou zijn. Dit terwijl de Procureur-generaal al daarvoor, namelijk op 26 augustus 2022 aan de broer van de overledene schriftelijk te kennen heeft gegeven dat er geen enkele reden was voor verder onderzoek. Op 06 september 2022 wijst [naam 2] mij terug naar de zaaksofficier van justitie zonder mij de stukken te geven (bijlage 2). Dit is een theoretisch onderscheid om ons de meest oorspronkelijke bron te onthouden en het materiaal waarmee de bron getoetst kan worden. Kennelijk meent het OM, dat dit afhangt van de persoon die de inhoud waarneemt. Die stukken behoren gewoon in het dossier te zijn. Het selecteren van relevante materiaal mag niet alleen afhankelijk zijn van de strafvorderlijke blik van degene die de selectie doet. Het EHRM ziet een dergelijke houding als zonder meer erg problematisch voor een eerlijk proces en wil het risico vermijden dat zoals hier het geval, de verdediging ten onrechte toegang tot relevant materiaal voor de verdediging wordt onthouden, om bijvoorbeeld het kwaad af te dekken.

Verzoeken tot het horen van getuigen en verzoeken tot het overhandigen van de stukken van de Landsrecherche zijn niet gehonoreerd. Dit verzoek kan duidelijkheid verschaffen over bijvoorbeeld, wie het initiatief had genomen tot het (doen) plegen van meineed en waar de grote leugen vandaan komt dat een persoon met een schroevendraaier tot de tanden met mitrailleurs en laserwapens, zwaargewapende militairen heeft aangevallen en daarom moest worden gedood. De verdediging is ervan overtuigd, dat deze leugen het procesdossier is binnengeslopen om het onnodig doden met behulp van leugens te kunnen rechtvaardigen en om foute collega’s af te dekken. Men wist toen natuurlijk niet dat wij de beelden zouden krijgen. Beelden van het schieten bij dit soort acties, worden immers normaliter niet in procesdossiers gevoegd. (...)

Zolang wij de juiste feiten niet weten, kunnen wij niet bepalen of het opnemen van onjuiste informatie in een proces-verbaal een individuele of collectieve actie is geweest en wel of niet nauw verbonden is met het weigeren om inzage in de opgevraagde processen-verbaal. Er wordt kennelijk alles op alles gezet om te voorkomen dat wij achter de antwoorden komen. Maar waarom? Die vraag stellen is haar beantwoorden. ‘Some people are more equal than others.’ Alles wijst erop dat de valse informatie afkomstig is van degenen die bij de actie betrokken waren en dat alleen daarom hun verklaringen aan de andere procesdeelnemers worden onthouden. Een andere uitleg, ondanks het zich wringen in bochten is er gewoon niet.

(...)

Als de verdediging zoals hier het geval, een verzoek doet om stukken aan het dossier toe te voegen, dan betreft dat een verzoek zoals bedoeld in artikel 371 CSv in verbinding met artikel 373 CSv om toepassing te geven aan artikel 358 CSv.

De maatstaf is of de noodzaak van het verzochte is gebleken. De rechter dient naar huidige opvattingen zich af te vragen of het gaat om stukken die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat dus niet om de aard van het stuk, maar om de relevantie van deze afgelegde verklaringen door de direct betrokkenen die ten onrechte in strijd met hun plicht geen processen-verbaal hebben opgemaakt, terwijl zij daartoe verplicht waren en ook voor de opsporing zijn ingezet en dwangmiddelen hebben toegepast. Natuurlijk is hun verklaring van belang voor de omvang van dit ernstig vormverzuim. Alles duidt erop dat de grote leugen juist van hen afkomstig is, nu degenen die wel proces-verbaal hebben opgemaakt er op geen enkel moment erbij waren en hetgeen zij relateren op verschillende belangrijke punten duidelijk onwaarachtig is.

Alleen al daarom dient de gevraagde informatie toegankelijk te worden gemaakt voor rechter en verdediging, met name dus juist de verhoren over het incident. (...)

Echter behoort ondanks dit alles onrechtmatig opsporingsoptreden niet in een doofpot te belanden, maar netjes te worden verantwoord in een eerlijke strafprocedure.

Interne openbaarheid volgens het EHRM

Toegang tot informatie is een voorwaarde voor een contradictoir proces en equality of arms. Het beginsel van fair trial zoals ligt besloten in artikel 6 lid 1 EVRM brengt mee dat de verdediging in beginsel toegang moet krijgen tot al het materiaal dat zowel ten nadele als ten gunste van de verdachte kan worden gebruikt.

Ook moet de verdediging toegang krijgen tot ‘other evidence that might relate to the admissibility, reliability and completeness of the evidence’.

In Natunen/Finland kwam het EHRM bijvoorbeeld tot schending, omdat opsporingsautoriteiten door hen voor de zaak niet relevant geacht materiaal al voor het proces hebben vernietigd (hier buiten het dossier gehouden), met als gevolg dat de verdediging niet meer kon controleren of het oordeel van de aanklager dat de stukken irrelevant zijn ook juist is.

De voeging van bovengenoemde stukken mag niet van een belangenafweging afhankelijk worden gesteld. Dat is volgens de rechtspraak van het EHRM een te beperkt kader.

Waar het in de kern om gaat, is dat de verdachte een adequate en geschikte mogelijkheid moet hebben om zijn verdediging zonder restricties te voeren, zodat alle argumenten van de verdediging aan de rechter kunnen worden voorgelegd.

Daarenboven vereist het recht op een eerlijk proces dat de vervolgende instantie al het belastende en ontlastende materiaal openbaar maakt aan de verdediging.

Dus ook stukken die van belang kunnen zijn voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, de controle op de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek en toepassing dwangmiddelen of de straftoemeting.

Daar gaat het in deze zaak tot nu toe mis. Te weten materiaal dat betekenis heeft zoals in dit geval voor de ontvankelijkheid, voor de beoordeling van de (rechtmatigheid van de) wijze van verkrijging van bewijsmateriaal en het aanhouden van de verdachten, de verslaglegging en voor de vraag of het aangeboden materiaal wel volledig is. Dit zijn allemaal punten waarnaar gekeken moet worden.

Problemen doen zich binnen het Koninkrijk zoals in dit geval voor, bij al dan niet kunstmatig afgesplitste (deel)onderzoeken. Het selecteren van materiaal mag niet afhankelijk zijn van de strafvorderlijke blik van degenen die de selectie doen. Het is duidelijk dat het OM in deze zaak tot nu toe met zegen, niet geneigd is materiaal ten nadele van de vervolging toe te voegen. Overigens bij sterfgevallen eist het EHRM volledige openheid van zaken. Ook dat is een ander hoofdstuk. Waar ik zo direct op terugkom.

Het is duidelijk dat dit OM alleen stukken in het dossier wil voegen die volgens het openbaar ministerie belastende betekenis voor hen heeft.”

Het vonnis van het hof houdt onder meer in:

“Voorop wordt gesteld dat ingevolge de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de Rijkswet Kustwacht) de Kustwacht belast is met opsporingstaken, waaronder operaties ter bestrijding van de handel en smokkel in verdovende middelen op zee. Uit geen wetsbepaling vloeit voort dat de Kustwacht zich daarbij niet mag laten vergezellen door militairen. Nu de militairen zich aan boord van het Kustwachtschip bevonden en onder gezag stonden van de commandant van de Kustwacht waren zij naar het oordeel van het Hof in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, en indien noodzakelijk, ook bevoegd tot toepassing van gepast geweld.

Ten aanzien van het veelvuldig schieten op [B] overweegt het Hof dat uit de stukken in het dossier en uit de videobeelden van de interceptie is op te maken dat de achtervolging van [B] waarop de verdachten zich bevonden en (naar later is gebleken) een grote hoeveelheid cocaïne, door de zogeheten Friscs van de Kustwacht langere tijd heeft geduurd. Daarbij is met behulp van blauwe zwaailichten, stoptekens, verbale halt-toeroepingen en later ook waarschuwingsschoten getracht de (opvarenden van de) [B] tot stoppen te brengen. [B] is al die tijd doorgevaren, waarbij op de videobeelden te zien is dat de verdachten terug schreeuwden en aanhoudend grote pakketten en andere voorwerpen, waaronder een op een machinegeweer gelijkend vuurwapen, overboord in zee gooiden. Gelet op het voorgaande acht het Hof het niet disproportioneel dat uiteindelijk is overgegaan tot het schieten op [B] teneinde deze tot stoppen te brengen. Bij het lossen van deze schoten, zijn de opvarenden van [B] niet geraakt.

(...)

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot het doodschieten van de kapitein overweegt het Hof als volgt.

Het Hof stelt voorop dat het ten zeerste te betreuren valt dat de kapitein van [B] om het leven is gekomen tijdens de interceptie. Het lijdt geen twijfel dat het doodschieten van de kapitein grote impact heeft gehad op de verdachten. Dit geldt te meer voor de verdachte, aangezien hij en de kapitein broers van elkaar zijn. Het Hof zal daar bij de strafmotivering nader bij stil staan.

De vraag of de geweldsaanwending jegens de kapitein in de gegeven omstandigheden (on)rechtmatig was (in de zin van artikel 2 EVRM), ligt in de onderhavige procedure niet ter beoordeling van het Hof voor. De Landsrecherche heeft een onderzoek ingesteld naar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de dood van de kapitein. Wat er ook zij van de uitkomst daarvan, deze is naar het oordeel van het Hof niet relevant voor enig te nemen beslissing in de strafzaak van de verdachte.

Zelfs indien sprake zou zijn van een normschending jegens de kapitein, is het niet de verdachte die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Nu ook overigens dienaangaande naar het oordeel van het Hof niet is gebleken van een normschending in de zaak van de verdachte in de zin van artikel 413 Sv (waaronder schending van artikel 2 en 3 van het EVRM), wordt het verweer verworpen.

Voorts wijst het Hof het herhaalde verzoek van de verdediging om voeging van het onderzoek door de Landsrecherche, om genoemde reden af. Daarbij betrekt het Hof dat het onderzoek door de Landsrecherche niet is gericht op de vraag of in het onderzoek naar de verdachte sprake is geweest van normschendingen.

(...)

BESLISSING

Het Hof:

(...)

wijst af het verzoek van de raadsman tot het in het dossier doen voegen van de stukken van het onderzoek van de Landsrecherche.”

De volgende bepalingen zijn van belang.

- Artikel 4 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (hierna: SvC):

“Tot de processtukken in de zin van dit wetboek worden gerekend de gegevens, die in verband met een verdenking tegen een bepaalde persoon ten behoeve van de politie en de justitie zijn verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en voor zover zij in het verband van diens strafvervolging worden gebruikt.”

- Artikel 50a SvC:

“1. De verdachte kan de officier van justitie dan wel, indien een gerechtelijk vooronderzoek is geopend, de rechter-commissaris schriftelijk gemotiveerd verzoeken door hem aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen bij de processtukken te voegen. Op dit verzoek wordt zo spoedig mogelijk beslist.

2. Afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid geschiedt schriftelijk en onder opgave van redenen. Van deze beslissing kan de verdachte binnen drie dagen in beroep komen bij de rechter-commissaris dan wel, indien de afwijzing door de rechter-commissaris is geschied, bij het Hof van Justitie.”

- Artikel 358 lid 1 SvC:

“Indien aan het Hof de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet verhoorde getuigen of deskundigen, of van de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt het zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip de dagvaarding van die getuigen of deskundigen of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging.”

- Artikel 371 SvC:

“Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van deze titel kan door de procureur-generaal een vordering en door de verdachte een verzoek tot het Hof worden gedaan, tenzij uit enige bepaling het tegendeel volgt.”

- Artikel 373 lid 1 SvC:

“Elke bevoegdheid, aan de verdachte bij deze titel toegekend, komt ook toe aan diens raadsman.”

- Artikel 413 lid 1, 5 en 7 SvC:

“1. Indien normen, daaronder begrepen zowel wettelijk omschreven voorschriften als regels van ongeschreven recht, tijdens het voorbereidend onderzoek of het onderzoek ter terechtzitting, ook ingeval de behandeling van de zaak door de raadkamer plaatsvindt, zijn geschonden, kan de rechter, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of het verzoek van de verdachte of diens raadsman, de normschending herstellen, overeenkomstig de aard en de strekking van de geschonden norm, dan wel bevelen, dat dit zal geschieden. Hij kan daartoe de nodige aanwijzingen geven.

5. De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet:

a. dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de ernst van de normschending, zal worden verlaagd, indien het door de schending veroorzaakte nadeel langs die weg redelijkerwijze kan worden gecompenseerd;

b. dat de resultaten van het onderzoek, voor zover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad;

c. dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien door toedoen van de normschending er geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak, die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet.

7. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.”

Het verzoek dat namens de verdachte is gedaan om de stukken van het onderzoek van de Landsrecherche in het dossier te voegen, is door het hof opgevat als een verzoek tot voeging van een (proces)stuk als bedoeld in artikel 371 SvC. Maatstaf bij de beoordeling van zo’n verzoek is op grond van artikel 358 lid 1 SvC of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 4 lid 1 SvC in beginsel alle stukken aan het dossier moeten worden toegevoegd die in verband met een verdenking tegen een bepaalde persoon ten behoeve van de politie en de justitie zijn verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en voor zover zij in het verband van diens strafvervolging worden gebruikt. Daarmee heeft artikel 4 lid 1 SvC het oog op stukken die voor de op de terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken. (Vgl., over het in het Nederlandse deel van het Koninkrijk geldende artikel 149a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900.)

Het hof heeft overwogen dat de Landsrecherche een onderzoek heeft ingesteld naar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de dood van de kapitein van [B] . Verder heeft het hof overwogen dat de uitkomst van dat onderzoek niet relevant is voor enige te nemen beslissing in de strafzaak tegen deze verdachte en dat de vraag of de geweldsaanwending tegen de kapitein onrechtmatig was in de zin van artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), niet ter beoordeling van het hof voorligt. Daarnaast heeft het hof in de beschouwing betrokken dat, ook als sprake zou zijn van een normschending tegen de kapitein, het niet de verdachte is die is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Ook heeft het hof overwogen dat ook overigens niet is gebleken van een normschending in de strafzaak van de verdachte in de zin van artikel 413 SvC, waaronder een schending van artikel 2 of 3 EVRM.

Op grond van deze overwegingen heeft het hof het verzoek om voeging van de stukken van het onderzoek van de Landsrecherche bij de processtukken afgewezen. Daarmee heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat die stukken niet redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de door het hof te nemen beslissingen. Dat oordeel getuigt tegen de achtergrond van wat onder 3.5 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is – ook in het licht van wat door de verdediging ter onderbouwing van het verzoek naar voren is gebracht – toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat het onderzoek van de Landsrecherche niet is gericht op de vraag of in het onderzoek naar de verdachte sprake is geweest van normschendingen.

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en negen maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0100
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?