HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01046
Datum 13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN WATERSCHAPPEN LIMBURG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg van 23 februari 2024, nr. ROE 23/660, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 2 augustus 2023 betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2022. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg (hierna: de heffingsambtenaar) heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] in [Z] (hierna: de woning) voor het jaar 2022 vastgesteld op € 157.000.
In beroep heeft belanghebbende betoogd dat de heffingsambtenaar de waardestijging van de woning van € 29.000 ten opzichte van het voorafgaande jaar niet voldoende heeft onderbouwd.
De Rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard zoals bedoeld in artikel 8:54, lid 1, Awb. Aan de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak voor een eerder (of later) belastingjaar komt volgens vaste rechtspraak geen zelfstandige betekenis toe, aldus de Rechtbank. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen namelijk mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk jaar opnieuw wordt bepaald aan de hand van feiten en omstandigheden die zich per waardepeildatum voordoen. Belanghebbende heeft volgens de Rechtbank verder geen inhoudelijke gronden aangevoerd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak verzet gedaan op de voet van artikel 8:55 Awb. In zijn verzetschrift heeft belanghebbende onder meer aangevoerd dat de oppervlakte van het platte dak van de woning onjuist is vermeld in het taxatieverslag. Verder zijn de door de heffingsambtenaar geselecteerde referentieobjecten volgens belanghebbende niet relevant voor de vaststelling van de waarde van de woning. Bij het eerste en tweede referentieobject is niet aangetoond dat het om hoekwoningen van een blok van zes gaat, en het derde referentieobject betreft een tussenwoning, aldus belanghebbende. Belanghebbende heeft verder nog een vergelijking gemaakt tussen de woning en andere – volgens belanghebbende vergelijkbare – hoekwoningen. Volgens belanghebbende is de totale waardestijging van die woningen minder dan de waardestijging van de woning waarvan de heffingsambtenaar is uitgegaan.
3. De oordelen van de Rechtbank
De Rechtbank heeft overwogen dat haar beoordeling in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder belanghebbende ter zitting te horen. Daarbij heeft de Rechtbank verder overwogen dat als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan dient de verzetrechter het verzet gegrond te verklaren opdat nader onderzoek kan plaatsvinden, aldus de Rechtbank.
Volgens de Rechtbank heeft belanghebbende in het verzetschrift met name betoogd dat de waarde van de woning in vergelijking met het jaar daarvoor, te fors is gestegen. Daarmee heeft belanghebbende een herhaling gegeven van zijn eerder aangevoerde beroepsgrond, terwijl bij uitspraak van 2 augustus 2023 (hierna: de in verzet bestreden uitspraak) al is geoordeeld dat die grond niet kan slagen. Nu de vastgestelde waarde in een eerder jaar geen rol speelt bij de vaststelling van de waarde van het object in het voorliggende jaar, is evident dat die grond niet slaagt. De Rechtbank heeft kunnen oordelen dat het beroep daarom kennelijk ongegrond was. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat wat in verzet is aangevoerd, niet slaagt en niet kan afdoen aan het oordeel van de Rechtbank in de in verzet bestreden uitspraak. Het verzet is daarom ongegrond, aldus de Rechtbank.
4. Beoordeling van de klachten
Belanghebbende klaagt onder meer erover dat de verzetrechter geen acht heeft geslagen op de argumenten in het verzetschrift waaruit volgens belanghebbende volgt dat de vastgestelde waarde van de woning te hoog is.
In verzet kunnen nieuwe argumenten naar voren worden gebracht als die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd bij een normale behandeling van de zaak, dat wil zeggen zonder toepassing van artikel 8:54 Awb. De verzetrechter dient het verzet met inachtneming van die argumenten te beoordelen.
Bij de beoordeling van het verzet van belanghebbende, is de Rechtbank, gelet op haar hiervoor in 3.1 weergegeven oordeel, dus uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.
Uit het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank blijkt dat zij alleen is ingegaan op het door belanghebbende in verzet opnieuw aangevoerde argument dat de vastgestelde waarde van de woning in vergelijking met het jaar daarvoor, te fors is gestegen. Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt niet dat zij ook acht heeft geslagen op de door belanghebbende in zijn verzetschrift aangevoerde nieuwe argumenten waaruit volgens belanghebbende blijkt dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. De klacht slaagt.
Gelet op wat hiervoor in 4.4 is overwogen, kan de uitspraak van de Rechtbank op het verzet niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de door belanghebbende in verzet aangevoerde argumenten twijfel doen ontstaan over de uitkomst van het beroep bij de Rechtbank. Het verzet dient gegrond te worden verklaard. Dit betekent dat de Rechtbank opnieuw een beslissing moet nemen over de vraag of de waarde van de woning al dan niet te hoog is vastgesteld.
5. Schadevergoeding
De conclusie van repliek bevat een verzoek om vergoeding van immateriële schade voor de duur van de berechting vanaf het moment van indiening van het bezwaarschrift. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op de berechting in eerste aanleg, dient de Rechtbank daarop te beslissen in de uitspraak waarin opnieuw op het beroep wordt beslist. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op de cassatiefase, geldt dat de duur daarvan afzonderlijk in aanmerking wordt genomen en het verzoek in zoverre niet toewijsbaar is, omdat de Hoge Raad uitspraak doet binnen twee jaar nadat beroep in cassatie is ingesteld.
6. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in cassatie. Over de kosten van het verzet bij de Rechtbank dient de Rechtbank te beslissen bij de uitspraak op het beroep.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet,
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 2 augustus 2023 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond, en
- draagt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.