HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01917
Datum 13 maart 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [plaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/691676 / FA RK 24-9572 van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 6 januari 2026, en tot afdoening door de Hoge Raad zelf door te bepalen dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden tot en met uiterlijk 20 augustus 2025.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van 22 januari 2024 heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 22 januari 2025.
(ii) Bij verzoekschrift van 24 december 2024 heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
(iii) Blijkens het proces-verbaal van de op 6 januari 2025 gehouden mondelinge behandeling heeft de rechtbank de beslistermijn op de voet van art. 6:2 lid 4 Wvggz met drie weken verlengd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een nieuwe medische verklaring over te leggen.
(iv) Blijkens het proces-verbaal van de op 27 januari 2025 voortgezette mondelinge behandeling heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek wederom aangehouden, dit keer voor onbepaalde tijd, om betrokkene de gelegenheid te geven opnieuw door een onafhankelijke psychiater te worden onderzocht.
(v) Bij mondelinge uitspraak van 20 februari 2025, schriftelijk uitgewerkt op 4 maart 2025, heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend, en bepaald dat deze tot en met 6 januari 2026 geldt.
3. Beoordeling van het middel
Het middel klaagt dat de looptijd van de op 22 januari 2024 gegeven zorgmachtiging op het tijdstip waarop de bestreden beschikking werd gegeven – op 20 februari 2025 – reeds was verstreken. Daarom kon geen aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden worden verleend, maar hoogstens een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden, aldus de klacht.
Deze klacht slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.9-3.12.
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Omdat de zorgmachtiging niet aansloot op een eerdere zorgmachtiging in de zin van art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, kon de rechtbank slechts een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden, op de voet van art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz. De Hoge Raad zal daarom de duur van de verleende zorgmachtiging beperken tot zes maanden, dus tot en met 20 augustus 2025.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 6 januari 2026;
- bepaalt dat de zorgmachtiging geldt tot en met 20 augustus 2025.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 maart 2026.