HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00871
Datum 13 maart 2026
ARREST
op een door [X] (hierna: belanghebbende) gedaan verzoek als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht.
1. Beroep in cassatie, intrekking en verzoek
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, nrs. 20/00405 tot en met 20/00408, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2006, en 2010 tot en met 2012 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente respectievelijk belastingrente.
De Staatssecretaris heeft naar aanleiding van het beroepschrift in cassatie een verweerschrift ingediend, waarin hij opmerkt dat hij de Inspecteur heeft opgedragen om de premies over de in geding zijnde periode aan belanghebbende terug te betalen en om aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen voor het indienen van het cassatieberoepschrift (2 punten x 1 x € 597).
Belanghebbende heeft vervolgens zijn beroep in cassatie ingetrokken omdat alsnog aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen. Gelijktijdig heeft hij verzocht de Staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de kosten van het geding in cassatie en van het griffierecht.
Verder heeft belanghebbende bij de intrekking van zijn beroep in cassatie aan de Hoge Raad verzocht om een veroordeling in de kosten van de procedure bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft aan belanghebbende een vergoeding van proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase toegekend. Zij heeft deze vergoeding berekend op basis van de wegingsfactor 0,5 omdat de vergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in beroep. Omdat thans inhoudelijk is tegemoetgekomen, dient volgens belanghebbende alsnog een vergoeding te worden toegekend op basis van de wegingsfactor 1.
De Staatssecretaris heeft ook een verweerschrift ingediend naar aanleiding van de hiervoor in 1.3 en 1.4 bedoelde verzoeken van belanghebbende. Wat betreft het hiervoor in 1.4 bedoelde verzoek merkt de Staatssecretaris op dat belanghebbende in de motivering van zijn cassatieberoep de beslissing over proceskostenvergoeding van de Rechtbank niet heeft aangevochten. Deze vergoeding is daarmee geen onderdeel van het geschil in cassatie. Naar de mening van de Staatssecretaris bestaat geen processuele ruimte om dit punt alsnog na intrekking van het cassatieberoep op te werpen.
2. Beoordeling van het verzoek
Het hiervoor in 1.3 bedoelde verzoek om toekenning van een vergoeding van de kosten van het geding in cassatie behoeft geen behandeling, nu daarover, gelet op de formulering van dit verzoek, tussen partijen overeenstemming bestaat.
Omdat de Inspecteur aan belanghebbende tegemoetkomt als bedoeld in artikel 8:75a Awb, ziet de Hoge Raad aanleiding om de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Daaraan staat niet in de weg dat belanghebbende de hoogte van de proceskostenvergoeding die de Rechtbank heeft toegekend, niet in hogere instantie heeft bestreden. Aangezien de Inspecteur tegemoetkomt aan het bezwaar van belanghebbende, moet namelijk ervan worden uitgegaan dat het beroep om inhoudelijke redenen gegrond was, en dient de daarbij behorende wegingsfactor te worden toegepast.
De kosten van het beroep, die betrekking hebben op beroepsmatig verleende rechtsbijstand, moeten overeenkomstig het verzoek van belanghebbende worden berekend op basis van wegingsfactor 1. Dit leidt tot een vergoeding van € 1.868, te betalen door de Inspecteur. Aangezien de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 525 aan kosten in verband met de behandeling van het beroep, en de Staat daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, zal de Hoge Raad de door de Inspecteur te betalen vergoeding met dit bedrag verminderen tot € 1.343.
Voor zover het hiervoor in 1.3 vermelde verzoek betrekking heeft op het griffierecht, kan de Hoge Raad daarover als bestuursrechter geen beslissing nemen. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, biedt de Algemene wet bestuursrecht aan de bestuursrechter alleen de mogelijkheid het bestuursorgaan – bij afzonderlijke uitspraak – te veroordelen in de proceskosten (artikel 8:75a Awb). Dat neemt niet weg dat het bestuursorgaan op grond van artikel 8:41, lid 7, Awb verplicht is aan de indiener van het beroepschrift het door deze betaalde griffierecht te vergoeden indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan deze indiener is tegemoetgekomen. Deze regeling is in geval van intrekking van het beroep in cassatie van overeenkomstige toepassing op grond van artikel 29 AWR.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- wijst het verzoek toe voor zover het gaat om een verhoging van de vergoeding van de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, en
- stelt het door de Inspecteur te betalen bedrag van die vergoeding vast op € 1.343.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.