HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04342
Datum 13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2023, nr. 21/00991, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/3991) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door D. Molenaar, heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van het middel
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.3 van het heden uitgesproken arrest met nummer 23/04337, ECLI:NL:HR:2026:280, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het middel voor het overige behoeft geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
Belanghebbende heeft het over het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting terecht betaald. De uitspraak van de Rechtbank zal worden bevestigd.
De slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd, brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en er in zoverre geen aanleiding is om, zoals het Hof heeft gedaan, de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor het hoger beroep. Het Hof heeft echter vastgesteld dat de termijn die als redelijk moet worden beschouwd voor het behandelen van een hoger beroep, is overschreden. Het heeft daarom de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot vergoeding van een immateriële schade van € 500.De omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep is toegekend, is aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Bij de berekening van deze vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand zal worden uitgegaan van (i) een verzoek om schadevergoeding waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) wegingsfactor 0,25 (zeer licht), zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Aangezien het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het hoger beroep is gedaan en de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep is verstreken, voordat het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, is gewezen, zal de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) ook worden opgedragen aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade van € 500,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 270,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.