ECLI:NL:HR:2026:410

ECLI:NL:HR:2026:410

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 25/02741
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1331

Samenvatting

Wvggz. Zorgmachtiging. Kon rechtbank op basis van schriftelijke referteverklaring afzien van horen van betrokkene (art. 6:1 Wvggz)?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/02741

Datum 13 maart 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene] ,

wonende te [plaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: M.J. van Basten Batenburg,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD-HOLLAND,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/15/364814 / FA RK 25-2217 van de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2025.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2025 en tot terugwijzing van de zaak naar die rechtbank.

2. Uitgangspunten en feiten

In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.

Bij brief van 2 mei 2025 heeft de griffier van de rechtbank de advocaat van betrokkene als volgt bericht:

“Bijgaand treft u aan een verzoek (aansluitende) zorgmachtiging. Indien uw cliënt(e) er prijs op stelt dat zijn/haar zaak zonder zitting wordt afgedaan, verzoek ik u binnen tien dagen na dagtekening van deze brief een referteverklaring aan de rechtbank te doen toekomen. Uit deze referteverklaring moet blijken dat uw cliënt(e) persoonlijk door u is geïnformeerd over de gevolgen van het afdoen van de zaak met een referteverklaring.

Daarnaast dient in de referteverklaring expliciet te worden vermeld dat uw cliënt(e):

kennis heeft genomen van het verzoek en de daarin vermelde vormen en duur van verplichte zorg;

geen verweer voert tegen de toewijzing van het verzoek;

het oordeel over het verzoek overlaat aan de rechtbank;

afstand doet van zijn/haar recht om ter zitting met bijstand van een advocaat te worden gehoord.

Ik wijs u erop dat uw cliënt(e) de referteverklaring persoonlijk en in uw aanwezigheid dient te ondertekenen, waarna u deze verklaring dient te autoriseren.

Indien de rechtbank bovenbedoelde referteverklaring niet binnen tien dagen na dagtekening van deze brief heeft ontvangen, zal een datum worden bepaald voor een behandeling ter zitting.

Bij tijdige indiening van een referteverklaring zal op grond van de verklaring en de inhoud van het dossier worden besloten of het verzoek buiten zitting kan worden afgedaan.”

Op 10 mei 2025 heeft de rechtbank een referteverklaring ontvangen, die is ondertekend door de advocaat van betrokkene, maar niet door betrokkene zelf. De referteverklaring vermeldt onder meer het volgende:

“Hierbij verklaart ondergetekende [advocaat van betrokkene] namens zijn hieronder genoemde cliënt

[betrokkene]

(…)

Dat hij kennisgenomen heeft van het door [GGZ] via de Officier van Justitie bij de Rechtbank Haarlem ingediende verzoekschrift zorgmachtiging aansluitend op een verzoek zorgmachtiging.

Dat hij dit verzoek heeft gelezen en besproken met zijn behandelaar/psychiater/psycholoog/ sociaal psychiatrisch verpleegkundige/ casemanager.

Dat hij over de juridische consequenties heeft gesproken met zijn advocaat fysiek dan wel via telefoon/zoom-/skypeverbinding op 9 mei 2025 en het eens is met het verzoek.

Dat hij het eens is met de inhoud van het verzoekschrift zorgmachtiging, zoals blijkt uit de onderstaande verklaring.

Na overleg met [betrokkene] op 9 mei 2025 kan ik meedelen dat betrokkene zonder zitting en zonder te worden gehoord, kan instemmen met toewijzing van het verzoek tot een zorgmachtiging met een maximale duur van 12 maanden als met betrekking tot de verzochte opname in een accommodatie de volgende clausulering (of een clausulering van vergelijkbare strekking) in de beschikking wordt opgenomen:

[Betrokkene] heeft begrepen dat hij niet zal worden opgenomen en dat de geneesheer-directeur slechts kan beslissen tot opname als betrokkene niet meewerkt aan de uitvoering van voormelde vormen van verplichte zorg en er dientengevolge ernstig nadeel dreigt, dan wel er op andere wijze ernstig nadeel dreigt dat voortkomt uit de stoornis. De geneesheer-directeur zal – alvorens tot opname te beslissen – de betrokkene (doen) horen en de opname zal alsdan niet langer duren dan nodig is om het dreigend ernstig nadeel af te wenden.

De rechtbank heeft, zonder mondelinge behandeling, een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:

“2.1 Uit de referteverklaring van betrokkene leidt de rechtbank af dat betrokkene het verzoekschrift heeft besproken met de advocaat, dat betrokkene erkent dat aan de voorwaarden voor toewijzing van het verzoek met de daarin opgenomen vormen van verplichte zorg wordt voldaan, dat betrokkene afziet van het recht te worden gehoord en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

In de referteverklaring is opgenomen dat betrokkene heeft begrepen dat hij niet zal worden opgenomen en dat de geneesheer-directeur slechts kan beslissen tot opname als betrokkene niet meewerkt aan de uitvoering van de vormen van verplichte zorg en er dientengevolge ernstig nadeel dreigt, dan wel er op andere wijze ernstig nadeel dreigt dat voor[t]komt uit de stoornis. En dat de geneesheer-directeur – alvorens tot opname te beslissen – betrokkene zal (doen) horen en de opname niet langer zal duren dan nodig is om het ernstig nadeel af te wenden. De rechtbank overweegt dat de door betrokkene voorgestane werkwijze valt binnen de gebruikelijke werkwijze binnen een zorgmachtiging, zodat aan de voorwaarden van betrokkene voor de referte is voldaan.

Gelet op de inhoud van de stukken en de referteverklaring, acht de rechtbank zich voldoende geïnformeerd om op het verzoek te beslissen.”

3. Beoordeling van het middel

Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen rov. 2.1, waarin de rechtbank uit de referteverklaring van 10 mei 2025 heeft afgeleid dat betrokkene afziet van zijn recht te worden gehoord op het verzoek om een aansluitende zorgmachtiging en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

De onderdelen 1.2 en 1.3 klagen onder meer dat de rechtbank met dit oordeel heeft miskend dat het beginsel van hoor en wederhoor een fundamenteel recht is van een betrokkene die via een verleende zorgmachtiging in zijn persoonlijke vrijheid wordt aangetast, en dat de Wvggz geen vorm van afstand van het recht om te worden gehoord kent. De rechtbank had daarom geen rechtsgevolg mogen verbinden aan de referteverklaring, aldus de onderdelen.

Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.

Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen.

Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen volgt dat afstand door de betrokkene van het recht om te worden gehoord op het verzoek om een zorgmachtiging, als zodanig niet onverenigbaar is met de Wvggz. De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klachten, die van een andere rechtsopvatting uitgaan, falen daarom.

Opmerking verdient nog het volgende. Indien, zoals in dit geval, na het overleggen van een schriftelijke referteverklaring op het verzoek om een zorgmachtiging wordt beslist zonder dat tegen dit verzoek verweer is gevoerd en zonder dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, kan, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, slechts worden aangenomen dat de betrokkene niet bereid is zich op het verzoek te doen horen, indien het ontbreken van deze bereidheid ondubbelzinnig blijkt uit de referteverklaring. Hiervoor is niet voldoende dat in de referteverklaring slechts is opgenomen dat de betrokkene zonder zitting en zonder te worden gehoord kan instemmen met toewijzing van het verzoek.

De onderdelen 1.4-1.6 klagen onder meer dat het oordeel van de rechtbank in rov. 2.1 onbegrijpelijk is omdat uit de brief van 2 mei 2025 volgt dat de referteverklaring ondertekend diende te worden door betrokkene, terwijl de referteverklaring alleen door de advocaat van betrokkene is ondertekend.

Deze klacht slaagt. In de brief van 2 mei 2025 van de rechtbank aan de advocaat van betrokkene is vermeld “Ik wijs u erop dat uw cliënt(e) de referteverklaring persoonlijk en in uw aanwezigheid dient te ondertekenen, waarna u deze verklaring dient te autoriseren” (zie hiervoor in 2.2). De referteverklaring van 10 mei 2025 is ondertekend door de advocaat van betrokkene, maar niet door betrokkene zelf (zie hiervoor in 2.3). In het licht hiervan is onbegrijpelijk dat de rechtbank de referteverklaring toereikend heeft geacht om op het verzoek te beslissen zonder betrokkene te horen.

Het slagen van de hiervoor in 3.3.1 weergegeven klacht brengt mee dat de onderdelen 1.4-1.6 voor het overige geen behandeling behoeven. Ook onderdeel 3 kan onbehandeld blijven.

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2025;

- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?