HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01388
Datum 13 maart 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J.C. Zevenberg,
tegen
1. DNATA B.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
2. HDI GLOBAL SE,
gevestigd te Hannover, Duitsland, kantoorhoudende te Rotterdam,
3. XL INSURANCE COMPANY SE,
gevestigd te Dublin, Ierland, kantoorhoudende te Amsterdam,
4. ALLIANZ BENELUX N.V., h.o.d.n. Allianz Schadeverzekering,
gevestigd en kantoorhoudende te Brussel, België,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna: Dnata c.s.,
advocaat: N.T. Dempsey.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 7930950 CV EXPL 19-16220 van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2019, 1 september 2020 en 22 december 2020;
b. het arrest in de zaak 200.293.035/01 van het gerechtshof Amsterdam van 14 januari 2025.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Dnata c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Dnata c.s. mede door C.J.D. Warren en A.J.J. Kool.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dnata c.s. begroot op € 8.508,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 maart 2026.