HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01523
Datum 13 maart 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 januari 2024, nr. SGR 22/7360 V.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld.Belanghebbende heeft een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Belanghebbende heeft schriftelijk beroep in cassatie ingesteld. Het door belanghebbende ingediende beroepschrift in cassatie is niet ondertekend en bevat niet de gronden van het beroep. Bij brief van 15 januari 2026 heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld deze verzuimen te herstellen. In deze brief is nogmaals gewezen op de mogelijkheid dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn de verzuimen zullen worden hersteld. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 12 februari 2026, maar zonder de verzuimen te herstellen. De Hoge Raad zal daarom met toepassing van artikel 6:6 Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.