HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03421
Datum 13 maart 2026
ARREST
op een door [X] (hierna: belanghebbende) ingesteld beroep in cassatie.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld.Belanghebbende heeft een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Belanghebbende heeft schriftelijk beroep in cassatie ingesteld. Aan dat beroep kleven meerdere verzuimen. Het beroepschrift in cassatie is niet ondertekend en bevat niet de gronden van beroep. Daarnaast ontbreekt een kopie van de bestreden uitspraak. Het beroepschrift in cassatie bevat ook verder geen aanknopingspunten aan de hand waarvan kan worden bepaald tegen welke uitspraak het beroep in cassatie is gericht en op welk besluit het geschil betrekking heeft.
Bij brief van 15 januari 2026 heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld de hiervoor in 2.1 genoemde verzuimen te herstellen. In deze brief is nogmaals gewezen op de mogelijkheid dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn de in die brief genoemde verzuimen zullen worden hersteld. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 12 februari 2026, maar zonder de verzuimen te herstellen.
Reeds op de grond dat het op basis van de voorhanden zijnde gegevens niet mogelijk is te bepalen tegen welke uitspraak het beroep in cassatie is gericht, zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.