HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03977
Datum 13 maart 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 september 2024, nr. SGR 23/7254 V.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld.Belanghebbende heeft een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Het beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep. Bij brief van 15 januari 2026 heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld dat verzuim te herstellen. In deze brief is nogmaals gewezen op de mogelijkheid dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn het in die brief genoemde verzuim zal worden hersteld. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 12 februari 2026, maar zonder het verzuim te herstellen. De Hoge Raad zal daarom met toepassing van artikel 6:6 Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.