HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04842 P
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 december 2023, nummer 20-001457-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat de betrokkene ‘andere strafbare feiten’ in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft begaan.
In de strafzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak is de betrokkene veroordeeld voor, kort gezegd, mensensmokkel van vluchtelingen door in de uitoefening van een beroep hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland. In deze ontnemingszaak heeft het openbaar ministerie een vordering gedaan tot ontneming van voordeel dat zou zijn verkregen door middel van de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld en door middel van andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr. In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van de feiten waarvoor hij is veroordeeld. Over de aan de vordering ten grondslag gelegde ‘andere strafbare feiten’ heeft de rechtbank overwogen dat zij “niet kan vaststellen dat sprake is van strafbare feiten in die gevallen en dus (ook) van wederrechtelijk verkregen voordeel”. In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene door middel van de bewezenverklaarde feiten en door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De klacht leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.7.
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/04841, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.