ECLI:NL:HR:2026:422

ECLI:NL:HR:2026:422

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 23/04842
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2023:4074
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:170

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit bewezenverklaarde feiten en uit andere strafbare feiten na veroordeling t.z.v. mensensmokkel van vluchtelingen door in uitoefening van beroep hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland, art. 36e.2 Sr. 1. In eerste aanleg is niet vastgesteld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan. 2. Motivering schatting w.v.v. Kon hof oordelen dat “voldoende aanwijzingen” bestaan dat betrokkene naast bewezenverklaarde feiten “andere strafbare feiten” a.b.i. art. 36e.2 Sr heeft begaan? Ad 1. In strafzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak is betrokkene veroordeeld voor mensensmokkel van vluchtelingen door in uitoefening van beroep hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland. In deze ontnemingszaak heeft OM vordering gedaan tot ontneming van voordeel dat zou zijn verkregen door middel van feiten waarvoor betrokkene is veroordeeld en door middel van andere strafbare feiten a.b.i. art. 36e.2 Sr. In e.a. heeft Rb geoordeeld dat betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van feiten waarvoor hij is veroordeeld. Over de aan vordering ten grondslag gelegde “andere strafbare feiten” heeft Rb overwogen dat zij “niet kan vaststellen dat sprake is van strafbare feiten in die gevallen en dus (ook) van w.v.v.”. In hoger beroep heeft hof geoordeeld dat betrokkene door middel van bewezenverklaarde feiten en door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt klacht niet tot cassatie. CAG: Uit ’s hofs overwegingen kan worden afgeleid dat hof met “andere strafbare feiten” oog heeft gehad op mensensmokkel van vreemdelingen met wie betrokkene eveneens contracten heeft getekend, maar die niet worden genoemd in bewezenverklaring. Uit overwegingen blijkt verder dat hof in art. 36e.2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” heeft aangenomen op de grond dat modus operandi van asielaanvragen van die vreemdelingen overeenkomt met modus operandi van asielaanvragen van vreemdelingen die wel worden genoemd in bewezenverklaarde strafbare feiten en met wie betrokkene eveneens contracten had getekend. Hof heeft bestaan van “voldoende aanwijzingen” dus niet (enkel) aangenomen o.g.v. omstandigheid dat vreemdelingen geldbedragen hebben betaald aan betrokkene, zodat klacht berust op verkeerde lezing van ’s hofs uitspraak en feitelijke grondslag mist. Volgt verwerping. Samenhang met 23/04841 (strafzaak).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04842 P

Datum 17 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 december 2023, nummer 20-001457-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de betrokkene.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat de betrokkene ‘andere strafbare feiten’ in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft begaan.

In de strafzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak is de betrokkene veroordeeld voor, kort gezegd, mensensmokkel van vluchtelingen door in de uitoefening van een beroep hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland. In deze ontnemingszaak heeft het openbaar ministerie een vordering gedaan tot ontneming van voordeel dat zou zijn verkregen door middel van de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld en door middel van andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr. In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van de feiten waarvoor hij is veroordeeld. Over de aan de vordering ten grondslag gelegde ‘andere strafbare feiten’ heeft de rechtbank overwogen dat zij “niet kan vaststellen dat sprake is van strafbare feiten in die gevallen en dus (ook) van wederrechtelijk verkregen voordeel”. In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene door middel van de bewezenverklaarde feiten en door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De klacht leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.7.

De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/04841, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?