ECLI:NL:HR:2026:425

ECLI:NL:HR:2026:425

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 23/00761
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2023:1968
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:76

Samenvatting

Opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting, art. 69.1 AWR. Bewijsklacht niet doen van aangiften vennootschapsbelasting over jaren 2015 en 2016. Heeft verdachte in bewezenverklaarde periode de aangiften vennootschapsbelasting over jaren 2015 en 2016 niet gedaan? Hof heeft vastgesteld dat verdachte was uitgenodigd tot doen van aangiften vennootschapsbelasting over jaren 2015 en 2016. Deze aangiften zijn tijdens bewezenverklaarde periode gedaan, terwijl over jaren 2015 en 2016 nog geen (ambtshalve) aanslagen waren opgelegd door inspecteur. ’s Hofs o.m. op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte in bewezenverklaarde periode van 1-3-2012 tot en met 12-12-2018 aangiften vennootschapsbelasting over jaren 2015 en 2016 ‘niet heeft gedaan’, is daarom niet begrijpelijk. Slagen van hierop gerichte klacht leidt echter niet cassatie omdat weglaten van dit deel van bewezenverklaring de aard en ernst van bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aantast. Volgt verwerping. CAG (strekking): vernietiging bewezenverklaring, v.zv. inhoudende dat verdachte aangiften vennootschapsbelasting over jaren 2015 en 2016 niet heeft gedaan, en vrijspraak van dit onderdeel. Samenhang met 23/00758 en 23/00760.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00761

Datum 24 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 februari 2023, nummer 21-006429-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats],

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de bewezenverklaring onder 1 voor zover inhoudende dat de verdachte de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2015 en 2016 niet heeft gedaan en de strafoplegging, en verder dat de Hoge Raad de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde niet hebben gedaan van de aangiften vennootschapsbelasting ten name van [verdachte] B.V. over het jaar 2015 en het jaar 2016 en de opgelegde geldboete zal verminderen conform de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde voor zover deze inhoudt dat de verdachte de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2015 en 2016 niet heeft gedaan. Het voert daartoe aan dat het hof heeft vastgesteld dat deze aangiften in de bewezenverklaarde periode zijn gedaan.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.

zij

in de periode van 1 maart 2012 tot en met 12 december 2018,

in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten een of meer aangifte(n) vennootschapsbelasting ten name van [verdachte] B.V. over:

- het jaar 2011 en

- het jaar 2012 en

- het jaar 2013 en

- het jaar 2015 en

- het jaar 2016 en,

niet heeft gedaan,

terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.

zij

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 6 november 2018,

in Nederland,

telkens als degene die ingevolge de Belastingwet (artikel 52 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen) verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen,

opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd,

terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

immers bestond de administratie enkel uit bankafschriften, en zijn er geen jaarrekeningen opgesteld.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK-nummer […]), DOC-002-01, p. 151-154, inhoudende – zakelijk weergegeven:

Rechtspersoon

Rechtsvorm Besloten Vennootschap

Statutaire naam [A] B.V.

Enig aandeelhouder

Naam [medeverdachte]

(...)

Enig aandeelhouder sedert 19-10-1993

Bestuurder

Naam [medeverdachte]

(...)

Datum in functie 19-10-1993

Bevoegdheid Alleen / zelfstandig bevoegd

2. Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK-nummer 08131960), DOC-002-02, p. 155-157, inhoudende – zakelijk weergegeven:

Rechtspersoon

Rechtsvorm Besloten Vennootschap

Statutaire naam [verdachte] B.V.

Enig aandeelhouder

Naam [A] B.V.

Enig aandeelhouder sedert 24-01-2005

Bestuurder

Naam [A] B.V.

Ingeschreven onder KvK-nr. […]

Datum in functie 24-01-2005

Bevoegdheid Alleen / zelfstandig bevoegd

3. Het proces-verbaal van ambtshandeling, AMB-003, p. 54-55, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

[medeverdachte] en zijn vennootschappen zijn uitgenodigd tot het doen van aangifte. In de tabel hieronder is te zien wanneer uiterlijk de aangiften bij de Belastingdienst binnen hadden moeten zijn.

Aangifte vennootschapsbelasting [verdachte] B.V.

[verdachte] B.V.

Uitnodiging

Uitstel verleend tot

Herinnering

Aanmaning

Ambtshalve

Jaar

2011

1-3-2012

1-5-2013

24-5-2013

27-6-2013

7-9-2013

2012

1-3-2013

1-5-2014

23-5-2014

4-7-2014

6-9-2014

2013

1-3-2014

1-11-2014

24-11-2014

30-1-2015

16-5-2015

2014

1-3-2015

1-11-2015

24-11-2015

6-1-2016

23-9-2017

2015

1-3-2016

1-11-2016

21-11-2016

10-3-2017

2016

1-3-2017

1-11-2017

29-1-2018

9-3-2018

2017

1-3-2018

1-11-2018

Resumé

Gezien het voorgaande is er over de jaren 2011 tot en met 2017 tussen [medeverdachte] en zijn vennootschappen enerzijds en de Belastingdienst anderzijds de volgende correspondentie geweest:

• 21 uitnodigingsbrieven van de Belastingdienst tot en het doen van aangifte inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting;

• 21 verzoeken tot uitstel van [medeverdachte];

• 18 herinneringen van de Belastingdienst;

• 18 aanmaningen van de Belastingdienst;

• 12 ambtshalve aanslagen van de Belastingdienst.

4. Het proces-verbaal van ambtshandeling, AMB-007, p. 66, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op maandag 20-08-2018 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning op het adres [a-straat 1], te [postcode] [vestigingsplaats].

In de als kantoorruimte ingerichte kamer van de woning werd een grote hoeveelheid ongeopende post aangetroffen.

Een deel van de ongeopende poststukken werd tijdens de doorzoeking door [medeverdachte], de rechter-commissaris en de officier van justitie (na daartoe verkregen toestemming van de rechter-commissaris) geopend.

Noot verbalisant:

Niet alle ongeopende brieven van de Belastingdienst zijn op voornoemde wijze geopend. Aangezien de briefwisseling tussen de Belastingdienst en verdachten terug te vinden is in de Belastingdienstsystemen is ervoor gekozen slechts enkele Belastingdienstbrieven te openen. De rest van de gesloten Belastingdienstbrieven is bij de verdachten ongeopend achtergelaten.

5. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van de Belastingdienst gericht aan [A] B.V. van 6 januari 2016, DOC-009-03-02, p. 175, als bijlage 1 achter deze aanvulling gehecht.

[Afbeelding]

6. Het proces-verbaal van ambtshandeling, AMB-010, p. 69-71, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van de verstrekte stukken heb ik, verbalisant [verbalisant] op 1 november 2018 aan [de controlerende ambtenaar] vragen gesteld met betrekking tot voornoemde stukken. De reactie van [de controlerende ambtenaar] zal hierna worden weergegeven:

Zijn de aangiften binnen?

Na 2010 zijn de aangiften [...] Vennootschapsbelasting van [...] [verdachte] BV tot op heden nog niet ontvangen door de Belastingdienst.

Wat kunt u vertellen over de door [medeverdachte] en zijn vennootschappen gevoerde administratie?

Vooropgesteld moet een administratie op zodanige wijze gevoerd worden dat de rechten en verplichtingen alsmede voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Dat is hier niet gebeurd.

Wel zijn er handmatig opgestelde vastleggingen in kladblokken opgenomen maar deze zijn zeker niet als administratie te kwalificeren.

De kladblokken zijn een eerste aanzet tot het maken van een administratie. Uit de bankafschriften zijn de bedragen die bij elkaar lijken te horen samengevoegd op de kladblokken, zonder totalisering, zonder btw vermelding, zonder verdere uitsplitsing. Bv bij de uitgaven betaald via de creditcard worden alleen de totaal bedragen genoemd, zonder uitsplitsing naar kosten of privé uitgaven of btw bedragen.

Niet de facturen zijn als basis genomen, enkel het bankverkeer. [medeverdachte] splitst de bankrekening uit zonder eindconclusie.

De administratie wordt niet verder ingericht waardoor overzichten van balansposities, opbrengsten en kosten ontbreken. Daarnaast zijn er allerlei transacties die tot wel de administratie behoren, maar die niet via het bankverkeer en de kladblokken tot uitdrukking komen. Zoals op de hoofdsom van leningen aan deelnemingen bijgeschreven rente. Want er wordt geen rente uitbetaald per bank en derhalve ook niet verwerkt in de kladblokken.

Voorbeelden zijn:

• De verwerking van privé gebruik auto die via rekeningcourant zou verlopen.

• De balanspositie en bijhorende berekeningen van het pensioen in eigen beheer.

• De schuldpositie van directeur aandeelhouder bij zijn holding maatschappij en de daarop bijgeschreven rente.

Wat kunt u vertellen over het controleerbaarheid van de administratie?

Vooropgesteld dat er geen administratie is gevoerd zoals in artikel 52 lid 1 AWR is vermeld ben ik van mening dat de aanwezige bescheiden niet zodanig zijn ingericht dat binnen een redelijke termijn controle daarvan mogelijk is.

De administratie is niet zodanig ingericht dat controle daarvan binnen een redelijke termijn mogelijk is, zoals wettelijk is voorgeschreven.

7. Het proces-verbaal van verhoor, V-001-01, p. 73-91, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte (Hoge Raad: de medeverdachte [medeverdachte]):

Het verhoor vond plaats op 26 september 2018.

Vraag verbalisanten:

Waarom hebt u er voor gekozen om de privé- en zakelijke administratie zelf te verzorgen en dit niet uit handen te geven?

Antwoord gehoorde:

Ik heb daar geen reden voor, ik heb dat altijd zelf gedaan. Ik heb het nooit uit handen gegeven. Vanaf het begin dat ik ondernemingen had heb ik het altijd zelf gedaan voor die vennootschappen.

Vraag verbalisanten:

Wat kunt u vertellen over het indienen van uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met heden en het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting over voornoemde jaren van de ondernemingen [A] BV, [verdachte] BV?

Antwoord gehoorde:

Ze zijn niet ingediend.

Vraag verbalisanten:

Had u daar een reden voor?

Antwoord gehoorde:

Ik had daar niet echt een reden voor. Het is ontstaan in een situatie dat er veel dingen gebeurd zijn in zowel mijn zakelijk als mijn privé leven. Ik heb het nu over de periode 2010 tot en met onlangs.

Noot verbalisanten: wij tonen gehoorde onderstaand overzicht met daarop de data van uitreiking van de aangifte, de herinnering voor het doen van aangifte, de daaropvolgende aanmaning voor het doen van aangifte en tenslotte de datum van het opleggen van de ambtshalve aanslag door de Belastingdienst (hof: betreft het overzicht dat als bewijsmiddel 3 is opgenomen).

Gehoorde wordt voorgehouden dat ondanks de door de Belastingdienst verstuurde herinneringen en aanmaningen de aangiften niet binnen komen.

Vraag verbalisanten:

Wat is de reden dat u de aangiften inkomstenbelasting van uzelf over de jaren 2011 tot en met heden en de aangiften vennootschapsbelasting van [A] BV, [verdachte] BV eveneens over de jaren 2011 tot en met heden, ondanks de door de Belastingdienst gestuurde herinneringen, aanmaningen en het verleende verzoek om uitstel niet heb ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde:

De reden ligt in de situatie die ik u hiervoor heb geschetst.

8. Een schriftelijk bescheid, te weten een verslag van een bespreking tussen verdachte en [de controlerende ambtenaar] op 18 januari 2017 inzake het boekenonderzoek bij [A] B.V., als bijlage 5 achter de op 25 januari 2023 aan het hof overgelegde pleitnota gevoegd, voor zover inhoudende – zakelijke weergegeven – als verklaring van [de controlerende ambtenaar]:

Over de RC hebben wij gesproken, de huidige positie is niet helder.

9. De verklaring van [de controlerende ambtenaar], afgelegd op 20 september 2022 bij de raadsheer commissaris in dit hof, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Klopt het dat u nooit kennis heeft genomen van de originele administratie van verdachte?

Dat klopt. Verdachte heeft mij nooit administratieve bescheiden overgelegd.

Klopt het dat u heeft aangegeven dat de administratie niet voldoet aan artikel 52 AWR. Hoe kunt u tot die conclusie komen als u de originele administratie nooit onder ogen heeft gehad?

Ik heb inderdaad aangegeven dat de administratie niet voldeed aan art. 52 AWR. Want ik heb de administratie nooit van verdachte overgelegd gekregen. Ik heb alleen alle door de FIOD in beslag genomen kunnen bekijken. Hieruit bleek dat er in het geheel geen administratie is bijgehouden. Wel was er sprake van veel losse documenten zonder enige ordening. Er was geen sprake van financiële administratie. Er waren geen audit-files. Alles was ongeordend. Ik heb in die stukken geen financiële (het hof begrijpt: financiële administratie) kunnen ontdekken.”

Het arrest van het hof houdt verder onder meer in:

“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

(...)

Strafvervolging na indienen aangiften

De raadsman heeft aangevoerd dat de aangiften zijn ingediend voor het verstrijken van de afgesproken datum. (...)

Oordeel van het hof

(...)

Strafvervolging na indienen aangiften

Uit pagina 16 en 17 van het overzichtsproces-verhaal maakt het hof op dat de aangiften met betrekking tot verdachte inderdaad zijn ingediend voor het verstrijken van de termijn op 7 december 2018. (...)

Overweging met betrekking tot het bewijs

(...)

Niet doen (tijdig) van aangiften

Het hof stelt voorop dat het opzettelijk niet doen van aangifte als bedoeld in artikel 69 AWR een omissiedelict is en dat een dergelijk delict voortduurt tot aan de gestelde verplichting is voldaan. In de tenlastelegging is een periode opgenomen waarin de gedraging zich heeft voorgedaan. Naar het oordeel van het hof heft het na de ten laste gelegde periode alsnog doen van aangifte de strafbaarheid van het delict (gedurende de ten laste gelegde periode) niet op.

Verder kan een buiten de in artikel 9 AWR bedoelde termijn ingediend aangiftebiljet niet gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als de inspecteur daarmee geen rekening heeft kunnen houden bij de aanslagoplegging.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman.

Verzuim

Het hof stelt het volgende voorop.

Van het niet doen van de aangifte kan alleen worden gesproken als de betrokkene (i) is uitgenodigd tot het doen van aangifte, (ii) de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken, en (iii) tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, lid 3, AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn. Indien de inspecteur de betrokkene niet eerst op de voorgeschreven wijze heeft aangemaand, kan hij daarom niet een vergrijpboete op grond van artikel 67d, lid 1, AWR opleggen wegens het opzettelijk niet doen van aangifte. Dat is ook niet mogelijk indien de betrokkene bekend was met zijn verplichting om aangifte te doen en hij de aangifte opzettelijk niet heeft gedaan binnen de termijn die was gesteld in de uitnodiging tot het doen van aangifte. Dit strookt met de regeling over verzuimboeten in artikel 67a, lid 1, AWR en de uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven aan het niet doen van de vereiste aangifte zoals bedoeld in artikel 27e, lid 1, AWR.

Het hof acht dit belastingrechtelijke principe met betrekking tot boeten eveneens van toepassing op een strafoplegging.

Daarnaast volgt het hof de raadsman met betrekking tot het volgende.

In het geval de verzending van een belastingaanslag door de belanghebbende wordt betwist, dient de inspecteur niet alleen aannemelijk te maken dat deze aanslag naar het juiste adres is verzonden, maar ook aan welk postvervoerbedrijf die aanslag voor verzending is aangeboden.

Het hof volgt de raadsman echter niet in zijn stelling dat de uitnodigingen en aanmaningen verdachte niet hebben bereikt. Het overzicht van FIOD-ambtenaar [verbalisant] op pagina 55 van het dossier bevat de concrete gegevens uit het digitale systeem van de Belastingdienst over de verzonden stukken en bijbehorende termijnen. Het hof heeft in deze zaak geen aanleiding daar aan te twijfelen. Daaruit volgt dat ten aanzien van [medeverdachte], verdachte en [A] voor de jaren 2011 tot en met 2016 uitnodigingen zijn verzonden, termijnen zijn gesteld en aanmaningen zijn verzonden. Bij de doorzoeking is daadwerkelijk een groot aantal ongeopende blauwe enveloppen aangetroffen. Eén daarvan – zo bleek na opening met toestemming van de rechter-commissaris – betrof een aanmaning over het jaar 2014 gericht aan [A]. Het hof gaat er onder die omstandigheden van uit dat de overige stukken eveneens naar hetzelfde – en enige bij de Belastingdienst bekende – adres van verdachte zijn verzonden. Het niet openen van de post komt in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van verdachte.

Verder is het zo dat [medeverdachte] nooit betwist heeft dat hij de betreffende stukken niet heeft ontvangen, ook niet nadat hem door de FIOD is voorgehouden dat hij 21 uitnodigingsbrieven tot het doen van aangifte heeft ontvangen, waarop verdachte 21 maal om uitstel heeft verzocht, waarna hij 18 herinneringen en vervolgens 18 aanmaningen heeft ontvangen. Hij heeft verklaard dat hij de aangiften niet heeft ingediend omdat sprake was van persoonlijke problematiek die hem ernstig heeft belemmerd in zijn functioneren.

De kale betwisting dat door het openbaar ministerie geen bewijs is geleverd van de ontvangst van de post zoals de raadsman dat heeft gedaan, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman.”

Het hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”, en bij de toepasselijke wettelijke voorschriften artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vermeld.

Het hof heeft onder meer de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte was uitgenodigd tot het doen van aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2015 en 2016. Deze aangiften zijn tijdens de bewezenverklaarde periode gedaan, terwijl over de jaren 2015 en 2016 nog geen (ambtshalve) aanslagen waren opgelegd door de inspecteur. Het op onder meer deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode van 1 maart 2012 tot en met 12 december 2018 de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2015 en 2016 ‘niet heeft gedaan’, is daarom niet begrijpelijk. Het slagen van de hierop gerichte klacht leidt echter niet tot cassatie omdat het weglaten van dit deel van de bewezenverklaring de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aantast.

Het cassatiemiddel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het zevende cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 10.000.

4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;

- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 9.000 bedraagt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?