HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/03565 H
Datum 17 maart 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 maart 2021, nummer 15-018110-21, ingediend door de advocaat J.S. de Gram,
namens
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 22 maart 2021 de aanvrager veroordeeld voor wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, tot een geldboete van € 700.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
De aanvraag berust allereerst op de stelling dat de betekening van de dagvaarding voor de terechtzitting van de politierechter in eerste aanleg niet rechtsgeldig is geweest.
Ook als wordt uitgegaan van de feitelijke juistheid van deze stelling, kan dit niet leiden tot een van de in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv genoemde beslissingen, zoals vermeld onder 3.1. Tot die beslissingen behoort immers niet de nietigheid van de dagvaarding.
Ten tweede wordt in de aanvraag gesteld dat de politierechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken van de tenlastegelegde wederspannigheid, als de politierechter bekend zou zijn geweest met de nadien gegeven vrijspraak en de sepotbeslissing met betrekking tot de feiten waarvoor de aanvrager destijds is aangehouden. Daartoe wordt aangevoerd dat de aanvrager werd aangehouden voor, kort gezegd, (i) rijden zonder geldig rijbewijs en (ii) niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Blijkens het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 november 2022 met parketnummer 23-000353-22, is de aanvrager van het eerste feit vrijgesproken. Volgens de bij de aanvraag overgelegde sepotbeslissing van 7 september 2021 in de zaak met parketnummer 96-234882-21 is het tweede feit geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
Het aangevoerde wekt niet een ernstig vermoeden als bedoeld onder 3.1. De rechter heeft immers in de strafzaak van de aanvrager moeten beoordelen of de betreffende verbalisant ten tijde van het tenlastegelegde (op 20 januari 2021) werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van de bediening. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919 en HR 16 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1278). Een latere vrijspraak of sepotbeslissing met betrekking tot het feit waarvoor de verdachte is aangehouden, staat niet in de weg aan een veroordeling voor wederspannigheid, omdat deze beslissingen niet betekenen dat het redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit dat de aanleiding vormde voor de aanhouding niet heeft bestaan (vgl. HR 3 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8324, rechtsoverweging 5.5).
Ten derde wordt in de aanvraag aangevoerd dat de politierechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken van de tenlastegelegde wederspannigheid, als de politierechter bekend zou zijn geweest met de bij de aanvraag gevoegde medische verslagen. Daartoe wordt gesteld dat uit die verslagen volgt dat de aanvrager bij zijn aanhouding een gebroken rib en visusvermindering heeft opgelopen en hij dusdanig is toegetakeld dat de agenten niet hebben gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
De rechter die de veroordeling heeft uitgesproken, was grotendeels al bekend met wat in de aanvraag naar voren wordt gebracht over het bij de aanhouding toegepaste geweld. Blijkens het proces-verbaal van de politie, dat deel uitmaakte van de processtukken in deze zaak, is de aanvrager namelijk bij de aanhouding door een verbalisant in het gezicht geslagen, is – in reactie op door de aanvrager toegepast geweld – met pepperspray in de richting van het hoofd van de aanvrager gespoten en zijn er door een verbalisant drie vuistslagen in de zij van de aanvrager gegeven. Ook houdt dat proces-verbaal in dat de aanvrager direct na zijn aanhouding bij de politie heeft verklaard dat zijn “ribben er uit zijn geslagen” en dat hij vanwege pijn in zijn ribben van plan was naar het ziekenhuis te gaan.Wat betreft de stelling in de aanvraag over de visusvermindering is van belang dat het bij de aanvraag overgelegde medische verslag inhoudt, dat bij onderzoek door de oogarts en de optometrist geen oogheelkundige afwijkingen zijn geconstateerd. In zoverre mist de aanvraag feitelijke grondslag.Wat er voor het overige bij de aanvraag en de daarbij gevoegde medische verslagen naar voren is gebracht – samengevat, dat bij de aanvrager door middel van radiologisch onderzoek een gebroken rib is vastgesteld – is in het licht van wat in het proces-verbaal van de politie is vermeld over de omstandigheden waaronder de verbalisanten geweld tegen de aanvrager hebben toegepast, van onvoldoende gewicht om te kunnen gelden als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv.
De aanvraag is kennelijk ongegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.