HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01870
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2024, nummer 23-004694-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde opzettelijk aanwezig hebben van hennep niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij 23 maart 2015 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 28,7 kilogram hennep (drooggewicht).”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2015089571-16 van 23 maart 2015, met fotobijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 92-103].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op maandag 23 maart 2015 omstreeks 05:15 uur was ik tezamen met mijn collega [verbalisant 3] , met noodhulp belast in een opvallend surveillance voertuig en in opvallend politie-uniform gekleed.
Ik hoorde dat de 0650 eenheid door de centrale meldkamer van politie eenheid Den Haag werd gestuurd naar de [a-straat] alwaar bij een bedrijfspand een optisch alarm af zou gaan.
Ter plaatse hoorde ik van collega’s dat deze een man staande hadden gehouden die zich daar verdacht had opgehouden en zich niet kon legitimeren, waarop de collega’s de man hadden aangehouden ter zake wet-ID. Ter plaatse op de [a-straat] rook ik in de gehele straat een geur die ik ambtshalve herkende als afkomstig van hennep.
Ik hoorde meerdere collega’s zeggen dat zij dezelfde hennepgeur roken. Ik rook dat de hennepgeur het sterkst rook voor een woonboot aan de [a-straat] perceelnummer [1] .
Ik hoorde hoofdagent van de politie eenheid Den Haag [verbalisant 4] zeggen dat hij een spoor van hennepresten op de grond zag liggen welke liepen tot aan de deur aan de voorzijde van de woonboot. Ik zag de hennepresten daadwerkelijk op de grond liggen.
Tijdens het forceren van de deur werd deze geopend door een man welke later bleek te zijn, verdachte [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] .
Ik rook bij het betreden van de woonboot direct een zeer sterke henneplucht. Ik zag dat er in de gang op de begane grond zich een trap bevond welke toegang gaf tot een kelder. In de kelder trof ik een ruimte aan die ik zou omschrijven als een “droogruimte” voor hennep. Ik zag dat er in de ruimte meerdere zakken lagen welke gevuld waren met hennepbladeren.
Ik ben hierop naar de bovenverdieping van de woning gelopen. Ik zag dat er in beide kamers, welke waren ingericht als slaapkamers en waarin door collega’s meerdere verdachten zijn aangehouden, kleding op de grond lag. Ik rook dat deze kleding naar hennep rook.
2. Een proces-verbaal met nummer PL1500-2015089571-N van 24 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 118-121].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op maandag 23 maart 2015 heb ik ter plaatse op het adres [a-straat 1] te [plaats] en later in het Bureau Forensische Opsporing (BFO) te Voorburg, de op maandag 23 maart 2015 bij dit adres aangetroffen en in beslag genomen partij hennep onderzocht.
Middels een luik en een houten trap kwam ik onderin de woonboot. Onderaan de trap zag ik een paar handschoenen en een jas. Ik rook dat ze sterk riekten naar hennep.
Ik zag verse groene bladresten van een hennepplant.
Onderin de woonboot zag ik een tweetal ruimtes. In een van deze ruimtes zag ik een viertal plastic zakken en een geruite boodschappentas. Ik zag dat hierin verse hennepplanten zaten. Tevens rook ik de karakteristieke geur van hennep.
Ik zag dat hier 4 plastic zakken waren. In deze zakken zag ik afgeknipte hennepplanten in volle bloei. Ik zag dat het hier de vrouwelijke hennepplanten van het geslacht Cannabis betrof. Omdat niet was vast te stellen hoeveel planten dit waren, is door mij het gewicht van de hennepplanten vastgesteld. In totaal betreft dit 114,80 kilogram hennep.
Omdat de delen nog vers en derhalve vochtig waren, moet het droge eindgewicht worden bepaald. Het is mij, verbalisant, uit jarenlange ervaring bekend dat het maximum gewichtsverlies na volledige droging op maximaal 75% kan worden geschat. Ik kan de voor verdachte meest gunstige bepaling toepassen en het gewichtsverlies door indroging derhalve op 75% stellen. Dat betekent dat het totaal droge eindgewicht van de aangetroffen hennep als volgt kan worden bepaald: 114,80 kilogram - 86,1 kilogram (75%) = 28,7 kilogram.
De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1500-2015089571-42 van 23 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 137-139].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
Op een gegeven moment zag ik mijn nichtje [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) weer voor de deur staan met een andere jongen. Ik deed open.
Ik hoorde van [verdachte] dat een van de jongens buiten met de politie stond te praten. Ik begreep dat hij helemaal naar de weed stonk. Naast [verdachte] en die jongen zijn er nog twee anderen binnen gekomen. Ze hebben zich allemaal bij mij in huis verstopt.
4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1500-2015089571-58 van 24 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina’s 140-142].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
Ik kan verder nog verklaren dat mijn nichtje [verdachte] samen met haar vriend [betrokkene 2] in de nacht van afgelopen zondag op maandag (het hof begrijpt: op 23 maart 2015) bij mij langs zijn gekomen met een bus. Zij had mij eerst een app gestuurd om te vragen hoe het met mij was. [verdachte] vertelde mij toen ze met [betrokkene 2] in de auto bij mij voor de deur stond.
Ongeveer een uur later kwam [betrokkene 2] met die bus weer bij mijn woonark. [betrokkene 2] begon een hele grote zak uit de bus te trekken. Ik zag dat de zak helemaal vol zat met hennep. Ik heb [betrokkene 2] geholpen die zak mijn woonark in te trekken. [betrokkene 2] heeft toen die zak de trap afgegooid naar beneden in de woonark. Mijn hele woonark zat helemaal onder de hennep en ik heb vervolgens alle hennep opgeruimd en in dat hok beneden in mijn woonark gelegd. [betrokkene 2] was vervolgens weer weggegaan en weer wat later stond [verdachte] weer bij mij voor de deur. Ik heb haar toen binnen gelaten. Even later was er ineens nog een andere man, die kennelijk achter [verdachte] aan naar binnen was gekomen.
Kort nadat [verdachte] binnen was gekomen, zei die andere man: “Volgens mij hebben ze [betrokkene 2] , hij liep met de politie te praten, maar die stinkt als de tyfus naar de wiet”.
Ik denk dat jullie naast mijzelf vier personen in mijn woonark hebben aangehouden. Dit zijn [verdachte] , de man die kort na haar binnen kwam en twee andere mannen die via de tuin naar binnen zijn gekomen.
5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2015089571-90 van 27 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 168-169].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Aantreffen verdachten in woning [a-straat 1] .
Naar aanleiding van het aantreffen van een grote hoeveelheid verdovende middelen in de woning [a-straat 1] , werd voorgenoemde woning op maandag 23 maart 2015 omstreeks 06:00 uur betreden en kan ik het volgende verklaren:
Nadat de woning werd betreden, zag ik dat een man naar later bleek de verdachte [betrokkene 1] , naar buiten kwam lopen. Nadat [betrokkene 1] was aangehouden, ben ik tezamen met collega’s de trap opgelopen naar de eerste etage. Aangekomen bovenop de trap, zag ik rechts van mij vanuit een slaapkamer een vrouw, naar later bleek de verdachte [verdachte] , komen lopen. In de slaapkamer waar zij uitkwam, trof ik in bed een man, naar later bleek de verdachte [betrokkene 3] aan.
Vervolgens zag ik dat collega’s vanaf de trap links een slaapkamer binnen gingen. Ik hoorde dat zij daar tevens twee verdachten, naar later bleek de verdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] , hadden aangehouden.
6. Een proces-verbaal Whatsapp [betrokkene 1] – [verdachte] van 21 april 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina’s 223-225].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte [betrokkene 1] werd in diens inbeslaggenomen mobiele telefoon de whatsapp geschiedenis opgezocht van de 23ste maart 2015 tussen hem en de aangehouden verdachte [verdachte] .
Om 01:14 uur vraagt [betrokkene 1] : “Kan ik iets voor je doen”.
Om 01:38 uur zegt [verdachte] : “Sta voor je deur, oompie”.
7. De verklaring van de getuige [betrokkene 2] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2024.
Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
De verdachte (het hof begrijpt: [verdachte] ) was op 23 maart 2015 wel op woonboot. Zij kwam aanlopen met haar neefje (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ). Dit was iets eerder dan om 05.00 uur ’s ochtends. Zij wilden mij tegenhouden. Ik was kwaad op [betrokkene 4] , dat hij mijn bus had gepakt. De verdachte heeft mij tegengehouden in de keuken op de woonboot. Ik weet niet waar zij vandaan kwamen in de woonboot, maar daar hielden zij mij tegen. Zij moeten binnen geweest zijn. Ik denk dat de verdachte een pyjama aan had.”
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Het hof stelt vast dat de verdachte is aangetroffen in een slaapkamer op de woonboot van medeverdachte [betrokkene 1] . In de kelder van deze woonboot bevond zich 114,8 kilogram natte hennep, met een drooggewicht van 28,7 kilogram. Blijkens het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] rook het zeer sterk naar hennep op de woonboot. Op meerdere plekken in en op de boot lag naar hennep ruikende kleding. Tot slot volgt uit het dossier dat de hennep op de woonboot zich in hetzelfde type zakken bevond als de hennep in de op het erf van de woonboot geparkeerde bestelbus en dat er een spoor van hennepresten liep tussen deze bus en de openslaande deuren van de woonboot. Dit doet de politie, en naar het oordeel van het hof terecht, concluderen dat de zakken hennep die betreffende nacht vanuit de bus de woonboot in zijn gebracht. De verdachte heeft verklaard niets te weten van de hennep omdat ze lag te slapen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van de hennep die in het busje is aangetroffen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het met de vereiste mate van zekerheid vaststellen van wetenschap en beschikkingsmacht bij de verdachte van de hennep in het busje, al dan niet in samenwerking met anderen. Daarnaast ziet het hof onvoldoende bewijs dat verdachte ten aanzien van de hennep in de woonboot heeft samengewerkt met anderen. Van deze onderdelen dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken.
Anders dan de verdediging stelt het hof echter wel vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van de 28,7 kilogram hennep (drooggewicht) die zich in de woonboot bevond. Gezien de geschetste omstandigheden kan het niet anders dan dat de verdachte zich op de (niet al te ruime) woonboot bewust is geweest van de grote hoeveelheid sterk ruikende hennep die in de woonboot aanwezig was. Juist omdat die hennep zich in haar nabije omgeving bevond en die nacht in meerdere zakken vanuit de bestelbus de woonboot is binnengebracht, wat met het nodige lawaai gepaard moet zijn gegaan, is het hof tevens van oordeel dat de verdachte over die hennep kon beschikken en daar dus beschikkingsmacht over heeft gehad. De verklaring van de verdachte dat zij lag te slapen en niets heeft gemerkt acht het hof reeds gezien het bovenstaande ongeloofwaardig, waar nog bij komt dat haar verklaringen tegenstrijdig ten opzichte van elkaar en van de verklaringen van medeverdachten zijn.”
Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Dit aanwezig hebben geldt als misdrijf wanneer wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op het aanwezig hebben. (Vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945.)
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid van 28,7 kilogram hennep (drooggewicht) aanwezig heeft gehad. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich bewust is geweest van de grote hoeveelheid sterk ruikende hennep die in de nacht van 23 maart 2015 in de kelder van de woonboot van [betrokkene 1] is aangetroffen en dus in haar nabije omgeving aanwezig was, dat het binnenbrengen van meerdere zakken van deze hennep met het nodige lawaai gepaard moet zijn gegaan en dat de verklaring van de verdachte dat zij lag te slapen, ongeloofwaardig is. Deze omstandigheden zijn, in het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld, niet zonder meer voldoende om aan te nemen dat de verdachte – als pleger – de hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.