HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04895
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 december 2023, nummer 22-002128-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.C. Reisinger en M.N. Greeven bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit, de strafoplegging en de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de in cassatiemiddel 9 bedoelde voorwerpen, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde gewoontewitwassen van bitcoins.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode 1 juli 2016 tot en met 29 november 2017 te [plaats] en elders in Nederland en in Duitsland, meermalen
a) telkens van voorwerpen, te weten
- een groot aantal bitcoins
de herkomst heeft verhuld, en heeft verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt,
en
b) telkens voorwerpen, te weten
- een groot aantal bitcoins
heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven goederen en geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt.”
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Vermoeden van witwassen
Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af. In november 2017 is informatie ontvangen van [A] waaruit blijkt dat de verdachte daar een account had. Verder blijkt uit de informatie van [A] dat door de verdachte verschillende transacties zijn uitgevoerd via zijn account. In totaal zijn er 625,3 bitcoins gestort op het account van de verdachte bij [A] . Deze bitcoins zijn op verschillende wijzen besteed:
- In de maand oktober 2017 is een totaalbedrag van € 5.412,00 overgeschreven naar een tweetal bankrekeningen. Deze bankrekeningen staan op naam van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
- In de maanden oktober 2016 tot en met september 2017 zijn er 193,1 bitcoins, met een tegenwaarde van € 199.326,85, overgeboekt naar bitcoinadressen die behoren bij [B] . De kaart met [nummer 1] is met deze bitcoins geladen.
- In de maanden november en december 2016 zijn in totaal 107,47 bitcoins met een tegenwaarde van € 76.165,00 naar een onbekend bitcoinadres verstuurd.
- Aan het [A] account van de verdachte zijn twee Visa prepaid debetkaarten gekoppeld, te weten de prepaid USD kaart met [nummer 2] en de prepaid EUR kaart met [nummer 3] . Beide kaarten zijn geladen, doordat de bitcoins zijn omgezet in respectievelijk dollars en euro’s. Op de kaart met [nummer 2] hebben in de maanden maart tot en met juni 2017 stortingen plaatsgevonden tot een totaal geldbedrag van $ 20.695,45 (omgerekend in Euro, op basis van de slotkoers op de dag van de respectievelijke transacties: € 19.012,30). Op de kaart met [nummer 3] hebben in de maanden oktober 2016 tot en met november 2017 stortingen plaatsgevonden tot een totaal geldbedrag van € 313.344,77.
In totaal vertegenwoordigen de omgezette bitcoins derhalve een geldwaarde van € 5.412,00 + € 199.326,85 + € 76.165,00 + € 313.344,77 + € 19.012,30 = € 613.260,92.
Er is onderzoek gedaan naar het inkomen, de bezittingen en de eenmanszaak van de verdachte. Daaruit blijkt het volgende. De laatst bekende loongegevens van de verdachte dateren uit 2011. De verdachte ontving toen een UWV-uitkering van € 3.802. Vanaf 2012 zijn er geen loongegevens meer bekend van de verdachte. Verder had de verdachte in de jaren 2014 en 2015 een bankrekening. Het saldo op die rekening bedroeg in beide jaren € 0,-. Sinds 2015 zijn er geen bankrekeningen meer bekend van de verdachte in Nederland. Van de verdachte zijn evenmin andere bezittingen bekend. Weliswaar heeft de verdachte blijkens informatie van de Kamer van Koophandel vanaf 1 april 2000 een eenmanszaak gehad die zich zou bezighouden met de verkoop van auto's, maar de KvK-inschrijving van die eenmanszaak is op 10 januari 2011 ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van de onderneming.
Het hof stelt vast dat er geen direct brondelict valt aan te wijzen voor de herkomst van de eerdergenoemde bitcoins. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De verdachte beschikte vanaf 2012 niet over een legale inkomensbron, terwijl hij wel kon beschikken over een groot aantal bitcoins. Van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat die bitcoins niet van misdrijf afkomstig zijn.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in de periode 2012 - 2013 door tussenkomst van [getuige 1] 1.982 bitcoins van [betrokkene 3] heeft verkregen tegen betaling van € 12.000,00. Ter onderbouwing van deze verklaring wijst de verdachte op een borgstellingsverklaring ondertekend door [getuige 1] en [betrokkene 3] . Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in aanvulling hierop nog verklaard dat hij de bitcoins heeft ontvangen via een stickje (het hof begrijpt: een USB-stick).
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de verdachte niet voldoen aan de hierboven genoemde vereisten. De verdachte heeft enkel gesteld dat hij bitcoins heeft verkregen. Hij heeft niet inzichtelijk gemaakt om welke bitcoins het ging. Dat had bijvoorbeeld gekund door het verstrekken van informatie over een concreet bitcoinadres of een specifieke wallet. Aldus heeft de verdachte niet inzichtelijk gemaakt wat de relatie is tussen de door hem verkregen bitcoins en de bitcoins die zijn gestort op zijn account bij [A] . Tevens heeft de verdachte verklaard dat hij de bitcoins heeft ontvangen via een stickje. Het hof begrijpt dat de verdachte hiermee op een hardware-wallet doelt. Hij heeft deze echter niet aan politie en justitie verstrekt teneinde nader onderzoek te kunnen doen naar de herkomst van de bitcoins en daarmee (de onderbouwing van) zijn verklaring te kunnen laten toetsen.
Bij gebrek aan een afdoende verklaring omtrent de legale herkomst van de bitcoins is het hof van oordeel dat de verdachte het gerechtvaardigd vermoeden omtrent een niet-legale herkomst van de bitcoins niet heeft ontzenuwd en dat het niet anders kan dan dat die bitcoins - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn.
De verdachte heeft de herkomst van de bitcoins verhuld door omzetting daarvan in euro’s en dollars om vervolgens een deel van die geldbedragen naar bankrekeningen van anderen te versturen en door een ander deel van die geldbedragen op debetkaarten te zetten die zijn uitgegeven door de buitenlandse bedrijven [A] en [B] .
Gelet op de omvang van de geldbedragen en de frequentie van het omzetten van bitcoins in euro’s en dollars in de periode van oktober 2016 tot en met november 2017 acht het hof ook bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.
Nu aan het dossier en het verhandelde ter zitting geen aanwijzingen kunnen worden ontleend dat hierbij een of meer anderen een zodanige rol hebben gespeeld dat sprake is van medeplegen, zal het hof de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen.
Nu het hof heeft vastgesteld dat er geen direct brondelict valt aan te wijzen voor de herkomst van de bitcoins, en de tenlastelegging zowel spreekt over het witwassen van bitcoins als van geld in euro’s, moet worden vastgesteld welk voorwerp of voorwerpen subject van deze beoordeling is dan wel zijn. Namens het Openbaar Ministerie is betoogd dat beide (categorieën van) voorwerpen dienen te worden bewezenverklaard. Het hof is echter van oordeel dat zulks, gezien het ontbreken van een aanwijsbaar brondelict, geen recht zou doen aan hetgeen in werkelijkheid heeft plaatsgevonden. Die werkelijkheid is dat bitcoins die aan de verdachte toebehoorden en moeten worden geacht van (enig) misdrijf afkomstig te zijn, zijn omgezet in euro's en dollars. Het hof heeft daarom alleen het witwassen van een grote hoeveelheid bitcoins bewezenverklaard en niet eveneens het witwassen van de tegenwaarde daarvan in euro’s. Dan zou immers sprake zijn van een niet te rechtvaardigen dubbeltelling.
Conclusie
Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 29 november 2017 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van bitcoins waarmee een bedrag van in totaal € 613.260,92 was gemoeid.”
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2023 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
“17. Daar komt bij: sprake is zelfs van bevestiging / verificatie van de verklaring van cliënt, zoals de rechtbank terecht overweegt heeft hij enige onderbouwing gegeven. We kennen immers de borgstellingsverklaring en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en [getuige 3] en – inmiddels – ook [getuige 4] bij de [C] . Cliënt kocht in 2012 voor 12.000 euro zo'n 2.000 bitcoins (zie voor de exacte getallen de borgstelling). Niet gesteld (in het veroordelend vonnis), noch gebleken (in het procesdossier) is dat cliënt die uitgave, in 2012, niet heeft kunnen doen. Integendeel, we kennen inmiddels zijn (financiële) positie in 2012 als autohandelaar (waar hij later weer mee begonnen is, al dan niet succesvol) en die uitgave kon hij toen, in 2012, doen en vervolgens van de vruchten daaruit (al dan niet contant en al dan niet via een bevriende derde) genieten. [getuige 2] verklaarde bij de FIOD al dat hij daar vanuit ging.”
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ (als bedoeld in artikel 420bis en volgende van het Wetboek van Strafrecht), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)
De verdediging heeft op de terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de in de bewezenverklaring bedoelde bitcoins een legale herkomst hebben. Daartoe heeft de verdachte aangevoerd dat hij in de periode 2012 tot 2013, door tussenkomst van [getuige 1] , 1.982 bitcoins van [betrokkene 3] heeft verkregen tegen betaling van € 12.000, en dat hij die uitgave kon doen uit geld dat hij had verdiend uit de handel in auto’s. Ook heeft de verdediging gesteld dat de bitcoins in de periode van 2012 tot eind 2017 een “exponentiële waardevermeerdering” hebben doorgemaakt en dat daaruit kan worden verklaard dat hij in 2017 voor € 613.260,92 aan bitcoins bezat. Ter ondersteuning van deze stellingen heeft de verdediging gewezen op een borgstellingsverklaring en getuigenverklaringen die onder meer zijn afgelegd door [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte met die verklaring niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van de in de bewezenverklaring bedoelde bitcoins. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen dat de verdachte niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de relatie is tussen de door hem verkregen bitcoins en de bitcoins die zijn gestort op zijn account bij [A] . Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat de verdachte, onder verwijzing naar getuigenverklaringen, heeft verklaard over de aanschaf van de bitcoins in 2012 dan wel 2013 en de waardestijging die deze bitcoins daarna hebben doorgemaakt. Dat wordt niet anders door de vaststelling van het hof dat de verdachte niet meer informatie heeft verschaft of een USB-stick heeft verstrekt, nu die omstandigheden niet in de weg staan aan de door de verdachte gegeven verklaring en de mogelijkheid daarnaar nader onderzoek te doen.
Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
3. Beoordeling van het negende cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer van de op de beslaglijst I onder 6 tot en met 44, 49 tot en met 51, 56 tot en met 59 en 61 tot en met 114 genoemde inbeslaggenomen voorwerpen.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 10.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De beoordeling door de Hoge Raad van het eerste, het tweede, het vierde, het vijfde, het zevende, het achtste en het zesde cassatiemiddel – voor zover dat cassatiemiddel betrekking heeft op het verzoek om in verband met het onder 2 en 3 tenlastegelegde [getuige 5] en [getuige 5] als getuigen te horen – heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het zesde cassatiemiddel en van het tiende cassatiemiddel niet nodig.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen:
(i) over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging,
(ii) tot de onttrekking aan het verkeer van de op Beslaglijst I genummerde voorwerpen onder 6 tot en met 44, 49 tot en met 51, 56 tot en met 59 en 61 tot en met 114;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.