HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03794
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 september 2023, nummer 20-000165-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.C. Vingerling bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’sHertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het gebruikmaken van een vervalst geschrift.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 24 juli 2014, te ’s-Hertogenbosch , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst geschrift, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, als het ware het geschrift echt en onvervalst, te weten:
- een vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [plaats] (DOC-019-02),
door genoemd geschrift te overleggen en/of te verstrekken aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst ter verkrijging van een verblijfsvergunning, en bestaande die vervalsing daarin dat op/in het genoemde geschrift is vermeld dat:
- verdachte samen met [medeverdachte] woonachtig en ingeschreven was in [plaats] , terwijl verdachte nimmer in [plaats] woonachtig en ingeschreven is geweest.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een schriftelijk bescheid, te weten een door de verdachte ondertekende Aanvraag toetsing aan EU-recht d.d. 24 juli 2014 (DOC-013-20), bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 november 2020 (proces-verbaalnummer 6640-2020-0110), voor zover inhoudende:
Als u een familie- of gezinslid van een burger van de Unie bent en u heeft zelf niet de nationaliteit van één van bovengenoemde landen dan moet u met dit formulier een aanvraag indienen om toetsing aan het EU-recht en afgifte van een verblijfsdocument EU voorverblijf bij een burger van de Unie (uw verblijfgever). U bent verplicht om een aanvraag om toetsing aan het EU-recht in te dienen. U moet namelijk kunnen aantonen dat u legaal in Nederland verblijft en met welk verblijfsdoel dat is.
1 Gegevens van de aanvrager (houder van het verblijfsdocument)
Naam [verdachte]
Geslacht en geboortedatum Man, [geboortedatum] /1990
Geboorteplaats [geboorteplaats]
Geboorteland [geboorteplaats]
Nationaliteit Marokkaans
2 Doel van het verblijf in Nederland
U bent een (niet uit de EU afkomstig) familielid van een burger van de Unie (niet zijnde een Nederlander)
[X] (niet uit de EU afkomstige) echtgeno(o)te/(geregistreerd) partner van een burger van de Unie (niet zijnde een Nederlander)
Lever bij uw aanvraag de volgende aanvullende bewijsstukken en documenten in: (...)
In het geval van een relatie, lever dan ook mee
- Bewijsmiddelen waaruit naar voren komt dat u een duurzame relatie onderhoudt met de burger van de Unie. Dit blijkt uit het feit dat u reeds gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voert of recentelijk heeft gevoerd. Indien de samenwoning niet in Nederland wordt/is gevoerd, toont u dit aan door:
o Een bewijs dat u in het buitenland heeft samengewoond. Hiertoe kunnen de volgende documenten worden overgelegd: een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie (...)
3 Ondertekening door de aanvrager
Ik vraag om toetsing aan het EU-recht en afgifte van een bewijs rechtmatig verblijf voor mij/mijn kind/het kind dat ik wettelijk vertegenwoordig. Ik heb dit formulier naar waarheid ingevuld. Ik weet dat de ingevulde persoonsgegevens voor de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 worden verwerkt en worden doorgegeven aan instanties die deze gegevens daarvoor nodig hebben. Wijzigingen in mijn situatie/de situatie van het kind die betrekking hebben op het verblijfsrecht, geef ik direct door aan de IND.
Ik lever dit formulier in.
Naam [verdachte]
Plaats en datum Den Bosch, 24-07-2014
Handtekening [handtekening verdachte]
2. Een schriftelijk bescheid, te weten de Nederlandse vertaling van de verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [plaats] d.d. 2 mei 2013 (DOC-019-02), bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2022 (proces- verbaalnummer 6640-2017-1631), voor zover inhoudende:
[plaats]
Afdeling Register en Informatie
VERKLARING OMTRENT GEZINSINSCHRIJVING BEVOLKINGSREGISTER
De op het Bevolkingsregister van deze gemeente aanwezige gegevensbestanden zijn geraadpleegd en gebleken is dat op de dag van heden en op het aangegeven blad de volgende inschrijving voorkomt:
GEGEVENS BEVOLKINGSREGISTER [WONING]:
Soort straat [a-straat 1]
GEGEVENS INSCHRIJVING
Volgnr. Naam en achternamen Geslacht Identiteitsbewijs
1 [medeverdachte] V Nat. Ident.bewijs
D.N.I.
Datum inschr. Geboortedatum Geboorteplaats Nationaliteitsland Nummer Letter
[geboortedatum] /1986 [geboortedatum] /1985 MAROKKO SPANJE […]
Volgnr. Naam en achternamen Geslacht Identiteitsbewijs
3 [verdachte]
Datum inschr. Geboortedatum Geboorteplaats Nationaliteitsland Nummer Letter
[geboortedatum] /2013 [geboortedatum] /1990 MAROKKO MAROKKO […]
DATUM DOCUMENT 02/05/2013 11:02:11
DOCUMENT VERKLARING OMTRENT GEZINSINSCHRIJVING
BEVOLKINGSREGISTER
DIENST REGISTER EN INFORMATIE VAN DE [plaats]
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 november 2020 (documentcode AMB-001-01), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
Op 24 juli 2014 heeft [verdachte] een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend voor zijn verblijf bij zijn EU-partner [medeverdachte] . Tijdens het indienen van zijn aanvraag te 24 juli 2014 is onder andere het volgende document door [verdachte] bij de IND ingediend:
• Verklaring omtrent gezinshereniging bevolkingsregister uit [plaats] (Spanje) met daarop onder andere vermeld [medeverdachte] en [verdachte] , afgegeven te 2 mei 2013. (DOC-019-02).
4. Een schriftelijk bescheid, te weten een Nederlandse vertaling van de officiële brief van het Directoraat-Generaal van de Politie, Verbindingseenheid van de Afdeling voor Internationale Samenwerking van het Openbaar Ministerie, d.d. 20 maart 2020 (DOC-049-04 / OEIP 73/2020-A), bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2022 (proces-verbaalnummer 6640-2017-1631), voor zover inhoudende:
Met betrekking tot het document van uw referentie, wordt medegedeeld dat de identificatie en de woonplaats van de verdachten als volgt zijn:
• [verdachte] , zonder gegevens in Spanje.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2022, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
Inzake de volgende koppels zijn Spaanse verklaringen omtrent inschrijving bevolkingsregister in hun IND dossier aangetroffen:
• [verdachte] - [medeverdachte] (DOC-019-02)
Middels een Europees Onderzoeksbevel (EOB), ingediend op 25 januari 2020, is aan de Spaanse autoriteiten verzocht om een (historische) bevraging in het bevolkingsregister van Spanje, alsmede de authenticiteit van de Spaanse documenten (verklaringen omtrent inschrijving bevolkingsregister), uit te voeren om zodoende controleerbaar te maken of er daadwerkelijk een duurzame samenleving heeft plaatsgevonden en/of de Spaanse documenten echt, dan wel vals en/of vervalste documenten betreffen.
Op 24 november 2020 is er door onderzoeksteam Abilene een antwoord vanuit Spanje ontvangen inzake het ingediende EOB (DOC-049-02-01 en DOC-049-02-02) waarvan vervolgens op 25 november 2020 het zakelijke gedeelte (DOC-049-03) is ingediend ter vertaling naar de Nederlandse taal. De officiële beëdigde en ondertekende vertaling (DOC-049-04) is door het onderzoeksteam Abilene op 4 december 2020 ontvangen. Uit het antwoord inzake het ingediende EOB blijkt het volgende:
“Met betrekking tot het document van uw referentie, wordt medegedeeld dat de identificatie en de woonplaats van de verdachten als volgt zijn:
• [verdachte] , zonder gegevens in Spanje.”
Zoals in het EOB staat vermeld bestaan er inzake [verdachte] , geen gegevens in Spanje. Hierdoor kan worden gesteld dat de ingediende verklaring omtrent inschrijving bevolkingsregister Spanje, welke als bewijsstuk als echt en onvervalst bij de IND tijdens de procedure aanvraag tot rechtmatig verblijf in Nederland is ingediend een vals, dan wel een vervalst document betreft. Concreet kan gesteld worden dat het volgende ingediende document bij de IND een vals, dan wel vervalst exemplaar betreft:
• Verklaring inschrijving bevolkingsregister inzake [verdachte] – [medeverdachte] (DOC-019-02)
Door het indienen van valse, dan wel vervalste verklaringen omtrent inschrijving bevolkingsregister, met het oogmerk deze verklaringen als echt en onvervalst te gebruiken voor de aanvraag tot rechtmatig verblijf in Nederland, heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, strafbaar gesteld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.
6. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2023 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik heb niet op het adres van mevrouw [medeverdachte] in [plaats] ingeschreven gestaan. Het klopt dat de handtekening die onderaan de Aanvraag toetsing aan EU-recht staat, mijn eigen handtekening is.
7. Een schriftelijk bescheid, te weten een verslag van de hoorzitting bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst d.d. 23 maart 2015, voor zover inhoudende de verklaring van de [medeverdachte] :
Achternaam bij geboorte betrokkene : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboortedatum : [geboortedatum] 1990
Achternaam bij geboorte referent : [medeverdachte]
Voornamen : [medeverdachte]
Geboortedatum : [geboortedatum] 1985
2 Verslag zitting referente
(Pagina 13)
Wanneer is [verdachte] bij u gaan wonen?
De volgende dag kwam hij (het hof begrijpt: de verdachte) bij ons (het hof begrijpt: [medeverdachte] en haar vader). Niet wonen maar logeren.
(Pagina 14)
Op welk adres?
[a-straat 1] .”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte verklaart op vragen van het hof:
Het klopt dat ik uit Marokko afkomstig ben en dat ik op 24 juli 2014 in Nederland bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een Aanvraag toetsing aan EU-recht heb ingediend. De betreffende documenten heb ik ingediend bij het kantoor van de IND in ‘s-Hertogenbosch.
(...)
Het klopt dat de handtekening die onderaan de Aanvraag toetsing aan EU-recht staat, mijn eigen handtekening is.
(...)
In [plaats] heb ik [medeverdachte] leren kennen. Ik verbleef daar in een hotel en ik heb niet met [medeverdachte] samengewoond. Wel hadden wij veel contact en gingen wij bijvoorbeeld samen uit eten. In Nederland heb ik wel samengewoond met [medeverdachte] . Zij was destijds mijn vriendin.
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat ik niet in Spanje met [medeverdachte] heb samengewoond, terwijl ik op een bijlage bij de Aanvraag toetsing aan EU-recht heb ingevuld dat ik sinds 26 januari 2013 met [medeverdachte] in Spanje woonde. Ik heb dit formulier niet zelf ingevuld. [medeverdachte] zorgde voor alle papieren. Ik heb enkel gezorgd voor de papieren uit Marokko.
(...)
Ik had een vertrouwensrelatie met [medeverdachte] . Het heeft ook te maken met het feit dat ik destijds nieuw was in Nederland en de Nederlandse taal niet beheerste.
(...)
U, voorzitter, vraagt mij wie de handtekening onder de Aanvraag toetsing aan EU- recht, zoals vervat op pagina 61 van het eindproces-verbaal, gezet heeft. Dat is mijn handtekening. (...) [medeverdachte] vroeg mij om de papieren te ondertekenen en dat heb ik gedaan. U, voorzitter, deelt mede dat het zetten van een handtekening betekent dat ik instem met de inhoud van hetgeen ik onderteken. Ik had een liefdesrelatie met [medeverdachte] . Als zij mij iets vroeg te doen, dan deed ik dat. Zij was degene die alles regelde rondom de aanvraag. Daarnaast speelde de taalbarrière een rol.
De raadsman vraagt mij wie de aanvraag, inclusief bijlagen, in een envelop heeft gedaan. Dat is [medeverdachte] geweest. Ik heb niet gezien welke bijlagen bij de aanvraag verblijfsvergunning zijn gevoegd.
(...)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
(...)
De belangrijkste vraag is of cliënt opzet heeft gehad op het indienen van het vervalste document. Mij is in dat verband opgevallen dat cliënt de Nederlandse taal niet machtig is. Voorts is mij opgevallen dat de aanvraag in het Nederlands is opgesteld, en dat het dus niet anders kan zijn dan dat cliënt bij het indienen van de aanvraag hulp heeft gehad. Cliënt heeft zelf verklaard dat zijn toenmalige partner de aanvraag heeft geregeld en dat hij slechts de aanvraag heeft ondertekend. Hoewel steeds wordt gehamerd op het feit dat de verdachte de aanvraag heeft ondertekend, betekent dit enkele feit niet dat cliënt in strafrechtelijke zin verantwoordelijk is voor de documenten die bij die aanvraag zijn gevoegd. Het is de vraag of cliënt zicht heeft gehad op die bijlagen. Nu cliënt de Nederlandse taal niet machtig is en hij hulp heeft gehad bij het indienen van de aanvraag, meen ik dat niet vastgesteld kan worden dat cliënt zelf vervalste stukken heeft overlegd of wist dat vervalste stukken bij de aanvraag werden gevoegd. Om opzet te kunnen bewijzen, had cliënt rekening moeten houden met de aanmerkelijke kans dat vervalste documenten bij de aanvraag werden gevoegd. Er lijkt een grotere organisatie werkzaam te zijn achter het indienen van de aanvragen, maar daarmee is niet gezegd dat cliënt hiermee bekend was. Om op grond van de wil van cliënt om naar Nederland te gaan, voorwaardelijk opzet te constateren, gaat mijns inziens te ver. Tot slot kan nog de vraag worden gesteld of cliënt redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de documenten vervalst waren. Dit omvat echter geen opzet, zelfs niet in voorwaardelijke zin. Concluderend valt niet vast te stellen dat het opzet van cliënt gericht was op het indienen van een vervalst document.”
Het hof heeft over dit verweer overwogen:
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister. Het was de partner van de verdachte, [medeverdachte] , die zich destijds over de voor de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht benodigde bijlagen moet hebben ontfermd. De verdachte ging er in goed vertrouwen van uit dat zijn partner destijds de juiste formulieren zou overleggen en was er derhalve niet van op de hoogte dat de verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister een vervalst geschrift betrof.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het strafdossier, alsmede het verhandelde ter terechtzitting, volgt dat de verdachte op 24 juli 2014 een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht heeft ingevuld en dat hij deze met bijlagen op 21 juli 2015 (de Hoge Raad begrijpt: 24 juli 2014) fysiek heeft ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Op grond van deze aanvraag is vereist dat de aanvrager aantoont dat hij een duurzame relatie onderhoudt met een burger van de Europese Unie. Een van de manieren om een duurzame relatie aan te tonen, is door overlegging van een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie, zodat bewezen kan worden dat de aanvrager met een burger van de Europese Unie in het buitenland heeft samengewoond. Als bijlage bij de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht van de verdachte is een verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister gehecht, waarin staat vermeld dat de verdachte sinds 26 januari 2013 ingeschreven stond in [plaats] (Spanje). Uit schriftelijke bescheiden van de Spaanse autoriteiten is echter gebleken dat de verdachte nimmer in Spanje in het bevolkingsregister ingeschreven heeft gestaan, hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkend. Naar het oordeel van het hof is er aldus sprake van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Door dit document bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst in te dienen, heeft de verdachte gebruik gemaakt van het valse geschrift.
Het hof acht bewezen dat verdachte hierin niet alleen heeft gehandeld en dat hij in ieder geval voor deze constructie medewerking heeft gekregen van een ander, zijn beweerdelijke partner.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – had op het gebruik van voornoemd vervalst geschrift. In dat verband stelt het hof voorop dat van aanvragers van een verblijfsvergunning, mede gelet op het belang dat zij hebben bij de procedure, verwacht mag worden dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij het indienen van een dergelijke aanvraag en zelf de authenticiteit van de bij de aanvraag gevoegde documenten controleren. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de aanvraag heeft ondertekend. Door een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht te ondertekenen, waarbij bijlagen zijn gevoegd, waarvan zonneklaar is dat deze doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en deze aanvraag inclusief bijlagen vervolgens in te dienen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst met het doel een verblijfsdocument voor zichzelf te verkrijgen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd en hij derhalve een vervalst document, als ware het echt en onvervalst, zou indienen. Daarmee heeft verdachte, naar het oordeel van het hof, voorwaardelijk opzet gehad op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister.
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer.”
Aan het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd en dat hij daardoor een vervalst document zou indienen, heeft het hof ten grondslag gelegd dat van aanvragers van een verblijfsvergunning mag worden verwacht dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij het indienen van zo’n aanvraag en zelf de authenticiteit van de bij de aanvraag gevoegde documenten controleren, en dat de verdachte de aanvraag, met de daarbij behorende bijlagen, heeft ondertekend en heeft ingediend, terwijl het zonneklaar is dat deze bijlagen doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Dit oordeel van het hof is – mede gelet op wat namens de verdachte is aangevoerd – niet toereikend gemotiveerd. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte niet de zorgvuldigheid die van een aanvrager van een verblijfsvergunning mag worden verwacht, in acht heeft genomen, volgt nog niet dat hij daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.