HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04421
Datum 20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 14 november 2024, zaaknummer 200.347.685/01, op een wrakingsverzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[verzoeker] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verzoeker.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verzoeker. Namens deze heeft de advocaat Y. Moszkowicz bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker in het beroep.
De raadsman van de verzoeker heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Op grond van artikel 515 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel open zodat het cassatieberoep –dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek tot wraking – niet‑ontvankelijk is.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.