ECLI:NL:HR:2026:451

ECLI:NL:HR:2026:451

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 20-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 24/02420
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:204
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:1501

Samenvatting

Procesrecht; artt. 6:7 tot en met 6:9 Awb en art. 8:69 Awb; rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel; bestuursorgaan voert in (hoger) beroep aan dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, terwijl het inhoudelijk op dat bezwaar had beslist; omstandigheden waaronder de rechter dat standpunt mag honoreren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/02420

Datum 20 maart 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

het DAGELIJKS BESTUUR VAN COCENSUS

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2024, nr. 23/333, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen tegen een uitspraak van de Rechtbank NoordHolland (nr. HAA 21/1041) betreffende van belanghebbende geheven leges.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J. van Groningen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Het dagelijks bestuur van Cocensus (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.Het Dagelijks Bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 14 februari 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten in cassatie

Belanghebbende heeft op 29 juli 2016 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de nieuwbouw en renovatie van een pand in de gemeente Bergen. In het aanvraagformulier is [c-straat 1] in [R] vermeld als correspondentieadres. De omgevingsvergunning is op 8 maart 2017 naar dit adres verstuurd. Belanghebbende was daar op dat moment niet langer gevestigd. Zij had de gemeente Bergen niet van haar adreswijziging op de hoogte gesteld. Ook de aanslag leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning is naar dit adres verstuurd, op 5 april 2017.

Tijdens een gesprek op 7 juni 2018 met de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen (hierna: de heffingsambtenaar) heeft belanghebbende te kennen gegeven dat de aanslag haar niet bekend was en dat het verzendadres moet zijn [a-straat 1] in [Z] . De heffingsambtenaar heeft vervolgens een kopie van het aanslagbiljet met de oorspronkelijke factuurdatum van 5 april 2017 verstuurd naar het laatstgenoemde adres.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is gedagtekend 11 juni 2018 en is door de heffingsambtenaar ontvangen op 12 juni 2018.

In de uitspraak op het bezwaar is vermeld dat het aanslagbiljet is gedagtekend 5 april 2017, dat het in de aanhef genoemde bezwaarschrift (“brief van 11 juni 2018”) binnen de wettelijke termijn van zes weken is ontvangen, en dat belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard.

Voor de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar nietontvankelijk had moeten worden verklaard. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de aanslag op 5 april 2017 is verzonden naar het door belanghebbende zelf opgegeven correspondentieadres en daarmee op de juiste wijze is bekendgemaakt. Dit betekent volgens de heffingsambtenaar dat het bezwaarschrift op 12 juni 2018 onverschoonbaar te laat is ontvangen.

De Rechtbank heeft dit betoog van de heffingsambtenaar verworpen, overwegende dat de rechtszekerheid eraan in de weg staat dat het bestuursorgaan, nadat het inhoudelijk op een bezwaar heeft beslist, de belanghebbende tegenwerpt dat dit bezwaar niet tijdig was.

3. De oordelen van het Hof

Voor het Hof was onder meer in geschil of de Rechtbank terecht heeft aangenomen dat het bestuursorgaan bij de rechter niet kan terugkomen van de (eerdere) ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Het Hof heeft hierover overwogen dat de Hoge Raad in zijn arrest van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153 (hierna: het arrest van 16 juli 2021), niet per definitie heeft uitgesloten dat het bestuursorgaan in beroep de tijdigheid van een bezwaar alsnog (met potentieel succes) aan de orde kan stellen. Dat neemt echter volgens het Hof niet weg dat daaraan onder omstandigheden algemene rechtsbeginselen in de weg kunnen staan.

Het Hof is van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in dit geval niet eraan in de weg staan dat de heffingsambtenaar in beroep de termijnoverschrijding van het bezwaar alsnog aan belanghebbende heeft tegengeworpen. Hiertoe overweegt het Hof dat belanghebbende in bezwaar heeft gesteld dat de aanslag leges niet in overeenstemming met artikel 3:41 Awb is bekendgemaakt, omdat de aanslag naar het verkeerde adres is gestuurd en dat dit door de heffingsambtenaar is erkend. Volgens het Hof heeft belanghebbende hiermee over deze punten (het adres en de erkenning) niet een juiste weergave van de feiten gegeven. Dat de heffingsambtenaar het bezwaar in algemene termen ontvankelijk heeft verklaard, omdat het “binnen de wettelijke termijn van zes weken” is ingediend, is verder een opvallende en evidente fout, een fout die meteen duidelijk moet zijn geweest voor belanghebbende en haar gemachtigde. Belanghebbende kon dus redelijkerwijs niet in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeren dat haar standpunt over de verkeerde adressering op haar merites was beoordeeld en akkoord bevonden, aldus het Hof.

Het Hof heeft vervolgens de ontvankelijkheid van het bezwaar beoordeeld. Het is tot de slotsom gekomen dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag en dat er geen omstandigheden zijn die deze termijnoverschrijding verontschuldigen, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4. Beoordeling van de middelen

Middel 2 betoogt dat het Hof heeft miskend dat wanneer een bestuursorgaan inhoudelijk op het bezwaar heeft beslist, dat bestuursorgaan niet in (hoger) beroep alsnog het standpunt mag innemen dat het bezwaar nietontvankelijk is wegens onverschoonbare termijnoverschrijding.

Bij de beoordeling van middel 2 stelt de Hoge Raad het volgende voorop. Het bestuursorgaan moet beoordelen of een bij hem ingediend bezwaarschrift tijdig (artikelen 6:7 tot en met 6:9 Awb) is ingediend. De rechtbank moet beoordelen of het beroep tijdig is ingesteld, en het hof moet hetzelfde doen met betrekking tot het bij hem ingestelde (hoger) beroep. Waar in dit verband over tijdigheid van een ingediend rechtsmiddel wordt gesproken, wordt daaronder mede verstaan de verschoonbaarheid van de te late indiening daarvan (artikel 6:11 Awb).In het arrest van 16 juli 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat hij voortaan het uitgangspunt zal hanteren dat de rechter de tijdigheid van een bezwaar of beroep in een vorige instantie niet ambtshalve behoort te beoordelen.

In het arrest van 16 juli 2021 heeft de Hoge Raad geen beslissing gegeven over de vraag of het bestuursorgaan na een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar zich voor het eerst in beroep of hoger beroep op het standpunt mag stellen dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk is. In een dergelijk geval is een oordeel van de rechter over de ontvankelijkheid van het bezwaar namelijk niet aan te merken als een – ontoelaatbaar – ambtshalve gegeven oordeel, zoals bedoeld in dat arrest.

Bij de beantwoording van de hiervoor in 4.2.2 weergegeven vraag heeft als uitgangspunt te gelden dat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zich tegen een dergelijk handelen van het bestuursorgaan verzetten. Dit uitgangspunt lijdt echter uitzondering indien (i) de belanghebbende vóór de uitspraak op bezwaar onjuiste of onvolledige feitelijke informatie aan het bestuursorgaan heeft verstrekt die van belang is voor de beoordeling van de tijdigheid van het bezwaar of van de verschoonbaarheid van de ontijdigheid daarvan, dan wel het bestuursorgaan de juiste en volledige informatie daarover in strijd met een wettelijke verplichting heeft onthouden, terwijl (ii) die belanghebbende redelijkerwijs had moeten weten dat het bestuursorgaan daardoor niet in staat was de ontvankelijkheid van het bezwaar goed en volledig te beoordelen, en (iii) het bestuursorgaan (mede) op basis van die onjuiste of onvolledige feitelijke informatie, dan wel als gevolg van het ontbreken van de aan hem onthouden juiste en volledige informatie, de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft aangenomen.

Het middel berust op een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het ervan uitgaat dat een bestuursorgaan, als het inhoudelijk op het bezwaar heeft beslist, zich in (hoger) beroep in geen geval alsnog op het standpunt mag stellen dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk is. Zoals hiervoor in 4.2.3 is overwogen, geldt weliswaar als uitgangspunt dat het bestuursorgaan in zo’n geval dit standpunt in (hoger) beroep niet mag innemen, maar is het onder omstandigheden mogelijk dat daarop een uitzondering wordt gemaakt. Het middel faalt daarom.

Middel 3 is gericht tegen het hiervoor in 3.2 vermelde oordeel van het Hof dat in dit geval aanleiding bestaat een uitzondering te maken op het hiervoor in 4.2.3 vermelde uitgangspunt omdat belanghebbende in bezwaar geen juiste weergave van de feiten heeft gegeven, en dat daarom haar beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel moet worden verworpen. Middel 1 richt zich tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag. De Hoge Raad heeft ook deze klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris, W.A.P. van Roij en C.J. Borman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NDFR Nieuws 2026/435 Viditax (FutD) 2026032001 V-N Vandaag 2026/511
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?