HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02185
Datum 20 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het HOOFD GEMEENTEBELASTINGEN KENNEMERLAND ZUID
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 mei 2025, nr. 24/14, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/5477) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.O.E. Uyen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het hoofd Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 29 augustus 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2. Uitgangspunten in cassatie
De heffingsambtenaar van Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid (hierna: de heffingsambtenaar) heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de woning van belanghebbende voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld. In hetzelfde geschrift is aan belanghebbende een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor dat jaar bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft tegen deze beschikking en aanslag bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij met een beroep op artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ verzocht om afschriften van bepaalde gegevens te verstrekken. De heffingsambtenaar heeft aan dat verzoek niet voldaan.
Voor de Rechtbank was in geschil of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Ook was in geschil of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase mocht volstaan met het ter inzage leggen van gegevens waar belanghebbende om had verzocht, dan wel of hij afschriften van deze gegevens aan belanghebbende had moeten toezenden.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en aan belanghebbende een vergoeding voor proceskosten toegekend. Wat betreft de toe te passen wegingsfactor heeft de Rechtbank vastgesteld dat de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege een formeel gebrek, te weten een onvolledige reactie op het informatieverzoek van belanghebbende. De Rechtbank heeft daarom in dit geval een wegingsfactor van 0,25 redelijk geacht.
3. De oordelen van het Hof
In hoger beroep was uitsluitend de door de Rechtbank gehanteerde wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding in geschil. Volgens belanghebbende had voor de beroepsfase een wegingsfactor 1 moeten worden toegepast.
Volgens het Hof ligt in de overwegingen van de Rechtbank besloten dat er aanleiding is om de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) te matigen. Het Hof heeft zich met dit oordeel van de Rechtbank verenigd. Het Hof heeft daartoe geoordeeld dat de omstandigheid dat belanghebbende deels in het gelijk is gesteld, daarvoor onvoldoende is. In dit specifieke geval is echter sprake van een ondergeschikt belang op grond waarvan belanghebbende in het gelijk is gesteld, namelijk een formeel gebrek betreffende een in algemene termen geformuleerde grief waarvoor geen feitelijk onderzoek door de gemachtigde noodzakelijk is, aldus het Hof.
4. Beoordeling van de middelen
Het eerste middel is gericht tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat in de uitspraak van de Rechtbank ligt besloten dat zij de wegingsfactor heeft gematigd op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit. Het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het tweede middel is eveneens gericht tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat aanleiding bestaat om de proceskostenvergoeding te matigen op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit.
Gelet op zijn hiervoor in 3.2 weergegeven overwegingen, heeft het Hof aanleiding gezien tot toepassing van artikel 2, lid 2, van het Besluit omdat belanghebbende deels in het gelijk is gesteld. In deze overwegingen ligt het oordeel besloten dat het Hof daartoe de maatstaven in aanmerking heeft genomen die bij toepassing van artikel 2, lid 1, van het Besluit worden gehanteerd, en die maatstaven heeft bezien in het licht van het gewicht van het geschilpunt waarop belanghebbende in het gelijk is gesteld.
Gelet op de vooropstelling in rechtsoverweging 4.2 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/04263, ECLI:NL:HR:2026:283, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht, geeft dit oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het tweede middel faalt eveneens.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.