HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02191
Datum 20 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het HOOFD GEMEENTEBELASTINGEN KENNEMERLAND ZUID
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 mei 2025, nr. 24/214, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 23/2880) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.O.E. Uyen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het hoofd Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 29 augustus 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2. Uitgangspunten in cassatie
De heffingsambtenaar van Gemeentebelastingen Kennemerland Zuid (hierna: de heffingsambtenaar) heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de woning van belanghebbende voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld. In hetzelfde geschrift is aan belanghebbende een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor dat jaar bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft tegen deze beschikking en aanslag bezwaar gemaakt. Belanghebbende heeft daarbij met een beroep op artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ verzocht om afschriften van bepaalde gegevens te verstrekken. De heffingsambtenaar heeft aan dat verzoek niet voldaan.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Tussen partijen was niet in geschil dat het beroep gegrond is voor zover het ziet op het niet-verstrekken van de in bezwaar gevraagde gegevens. Zij verschilden nog wel van mening over de vraag of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld en over de te hanteren factor voor het gewicht van de zaak.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en aan belanghebbende een vergoeding voor proceskosten toegekend. Wat betreft de toe te passen wegingsfactor heeft de Rechtbank geoordeeld dat het gewicht van de zaak zeer licht is omdat het beroep uitsluitend is gegrond vanwege de omstandigheid dat de heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd in de bezwaarfase. De Rechtbank heeft daarom in dit geval een wegingsfactor van 0,25 toegepast.
3. De oordelen van het Hof
Voor het Hof was uitsluitend de door de Rechtbank gehanteerde wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding in geschil. Volgens belanghebbende had voor de beroepsfase een wegingsfactor 1 moeten worden toegepast.
Volgens het Hof ligt in de overwegingen van de Rechtbank besloten dat er aanleiding is om de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) te matigen. Die vraag heeft het Hof in bevestigende zin beantwoord. De omstandigheid dat belanghebbende deels in het gelijk is gesteld, is op zichzelf genomen onvoldoende voor bevestigende beantwoording van deze vraag, aldus het Hof. In dit specifieke geval is echter volgens het Hof sprake van een kwestie van ondergeschikt belang op grond waarvan belanghebbende in het gelijk is gesteld, namelijk een formeel gebrek betreffende een in algemene termen geformuleerde grief waarvoor geen feitenonderzoek door de gemachtigde noodzakelijk is, en bestond over het gegrond zijn van deze grief tussen partijen geen geschil. Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.
4. Beoordeling van de middelen
Het eerste middel behoeft, gelet op de toelichting daarop, enkel behandeling voor zover het betoogt dat het Hof miskent dat de Rechtbank de toepassing van artikel 2, lid 2, van het Besluit had moeten motiveren. Het middel faalt bij gebrek aan belang. Indien al zou worden aangenomen dat die motivering door de Rechtbank niet is gegeven, dan is die in ieder geval gegeven door het Hof.
Het tweede middel betoogt dat het oordeel van het Hof dat artikel 2, lid 2, van het Besluit in deze zaak kan worden toegepast, is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat aanleiding bestaat om de proceskostenvergoeding te matigen op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit.
Gelet op zijn hiervoor in 3.2 weergegeven overwegingen, heeft het Hof aanleiding gezien tot toepassing van artikel 2, lid 2, van het Besluit omdat belanghebbende deels in het gelijk is gesteld. In deze overwegingen ligt het oordeel besloten dat het Hof daartoe de maatstaven in aanmerking heeft genomen die bij toepassing van artikel 2, lid 1, van het Besluit worden gehanteerd, en die maatstaven heeft bezien in het licht van het gewicht van het geschilpunt waarop belanghebbende in het gelijk is gesteld.
Gelet op de vooropstelling in rechtsoverweging 4.2 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/04263, ECLI:NL:HR:2026:283, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht, geeft dit oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het tweede middel faalt eveneens.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.