HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03216 J
Datum 24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 augustus 2024, nummer 22-002747-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.E. Kötter en J.L. L’Homme bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de hoogte daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd, door een onvoorwaardelijke jeugddetentie van een langere duur dan zes maanden te combineren met een taakstraf.
Het hof heeft toepassing gegeven aan het jeugdstrafrecht en aan de verdachte een jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 112 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf (werkstraf) van 90 uren opgelegd.
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”
- Artikel 77a (oud) Sr, dat net als de hierna geciteerde artikelen is geplaatst in Titel VIII A (“Bijzondere bepalingen voor jeugdigen en jongvolwassenen”) van het Eerste Boek (“Algemene bepalingen”) en dat voor zover hier van belang niet verschilt van de nu geldende bepaling:
“Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, zijn de artikelen 9 (...) niet van toepassing. In de plaats daarvan treden de bijzondere bepalingen vervat in de artikelen 77d tot en met 77hh.”
- Artikel 77g Sr:
“1. In plaats van de op een feit gestelde straffen worden de straffen en maatregelen opgelegd, in deze Titel voorzien.
2. Een hoofdstraf kan zowel afzonderlijk als tezamen met andere hoofdstraffen of met bijkomende straffen worden opgelegd.
3. Een maatregel kan zowel afzonderlijk als tezamen met hoofdstraffen, met bijkomende straffen en met andere maatregelen worden opgelegd.”
- Artikel 77h lid 1 Sr:
“De hoofdstraffen zijn:
a. in geval van misdrijf: jeugddetentie, taakstraf of geldboete;
b. in geval van overtreding: taakstraf of geldboete.”
Artikel 77g Sr is gewijzigd bij de Wet van 20 december 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de jeugdzorg met het oog op verruiming van de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen (gedragsbeïnvloeding jeugdigen), Stb. 2007, 575. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid houdt onder meer in:
“1.5 De uitbreiding van de mogelijkheden om jeugdsancties te combineren
(...)
Bij het leveren van maatwerk in het jeugdstrafrecht vormt het combineren van sancties één van de mogelijkheden. Bij de behoefte om per jeugdige een individuele aanpak samen te stellen uit de beschikbare mogelijkheden, past dat de wet zo min mogelijk beperkingen stelt aan het combineren van sancties. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de wettelijke beperkingen om sancties te combineren volledig op te heffen. Het is vervolgens aan de rechter om in elke individuele strafzaak maatwerk te leveren in de op te leggen straffen en maatregelen en daarbij de proportionaliteit te bewaken. Als gevolg van deze voorstellen wordt ook de beperking dat een taakstraf slechts kan worden gecombineerd met een onvoorwaardelijke jeugddetentie van maximaal drie maanden opgeheven. Met onderhavig wetsvoorstel wordt mede uitvoering gegeven aan amendement nr. 18 op het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima (Kamerstukken II 2003/04, 28 484, nr. 18). Dit amendement houdt in dat de zinsnede «ten hoogste drie maanden» in artikel 77g, derde lid, wordt vervangen door: ten hoogste zes maanden. Daarmee werd beoogd dat in de situatie dat een jeugdige tot de behandeling op de terechtzitting in voorlopige hechtenis verblijft en de rechter meent dat jeugddetentie niet langer geïndiceerd is, de rechter naast de op dat moment al ondergane jeugddetentie (die dan veelal net de termijn van drie maanden overschrijdt), nog een taakstraf kan opleggen. Het wetsvoorstel gaat zelfs verder dan het betreffende amendement door geen specifieke beperking meer te stellen aan de duur van de jeugddetentie voor het geval deze wordt gecombineerd met een taakstraf.
(...)
Artikel I, onderdeel B
De formulering van artikel 77g, tweede en derde lid, impliceert dat in beginsel alle combinaties van hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen mogelijk zijn. Het streven naar individueel maatwerk bij het opleggen van sancties aan jeugdigen maakt het wenselijk geen enkele combinatie wettelijk uit te sluiten. Het is aan de rechter om in elke individuele strafzaak het beoogde maatwerk te leveren en de proportionaliteit te bewaken.”
(Kamerstukken II 2005/06, 30332, nr. 3, p. 11, 12 en 19.)
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat in deze zaak artikel 9 lid 4 Sr van toepassing is. Gelet op artikel 77a Sr is die opvatting onjuist. Als de rechter het jeugdstrafrecht toepast, zijn op grond van artikel 77g Sr in beginsel alle combinaties van hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen mogelijk. Het hof heeft in het licht van het voorgaande een wettelijk toegestane combinatie van straffen opgelegd.
Het cassatiemiddel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 112 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie;
- vermindert deze in die zin dat deze 291 dagen, waarvan 112 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.