ECLI:NL:HR:2026:48

ECLI:NL:HR:2026:48

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 12-01-2026
Zaaknummer 24/01143
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:822
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1309

Samenvatting

Mishandeling door in woning van zijn voormalige partner een ander meermalen tegen zijn gezicht te stompen, art. 300.1 Sr. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. aantasting in persoon ‘op andere wijze’. Hof heeft vastgesteld dat verdachte de b.p. meermalen tegen gezicht heeft gestompt. Daarnaast heeft hof overwogen dat uit dossier niet volgt dat b.p. als gevolg daarvan “(objectief waarneembaar) letsel heeft bekomen”. Vervolgens heeft hof geoordeeld dat aard en ernst van normschending meebrengen dat in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor b.p. zo voor de hand liggen, dat aantasting in persoon kan worden aangenomen. ‘s Hofs daarin besloten liggende oordeel dat aard en ernst van normschending in dit geval zo ingrijpend zijn dat onderbouwing met concrete gegevens van die aantasting in persoon achterwege kan blijven, is niet zonder meer begrijpelijk. Dat b.p. nog heeft aangevoerd dat hij zich na gebeurtenis mentaal en fysiek niet in staat achtte om te werken en hij bang was en nog steeds is voor verdachte, kan niet tot ander oordeel leiden. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. t.z.v. immateriële schade en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01143

Datum 10 februari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 maart 2024, nummer 20-003008-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van [benadeelde] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel wegens het onder 1 bewezenverklaarde.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 7 augustus 2022 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door hem meermalen, met kracht, tegen het gezicht, te stompen.”

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.3.

Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Dat verzoek houdt onder meer in:

“Immateriële schade (smartengeld)

(...)

Zie voor een toelichting op de immateriële schade: bijlage 1: het schadeonderbouwingsformulier

Totaal immateriële schade: € 650,00.”

De betreffende bijlage houdt onder meer in:

“Korte situatieschets

Benadeelde is door verdachte mishandeld. Hij is met kracht tegen zijn hoofd/kaak gestompt.

Letsel en gevolgen

Lichamelijk letsel

Ten gevolge van de klap tegen de kaak trad er een verdikking van de kaak op en een blauw/paarse verkleuring als gevolg van een bloeduitstorting. Ook had benadeelde pijn aan zijn kaak. Nog dezelfde avond/nacht heeft benadeelde de Huisartsenpost van het [A] ziekenhuis in [plaats] bezocht voor onderzoek. Daar werd geadviseerd om tegen de pijn pijnstilling te slikken. Benadeelde kon zijn mond niet goed openen en de pijn bleef aanhouden. Vooral de eerste week ging eten daarom moeizaam en moest benadeelde zich beperken tot vloeibaar voedsel. De pijn bleef aanhouden. Daarom heeft benadeelde na ongeveer twee weken zijn huisarts bezocht welke hem heeft doorverwezen naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis is een CT-scan gemaakt. Uit deze CT-bleek dat er een scheurtje in de rechterkant van zijn kaak zit. Dit scheurtje moet uit zichzelf herstellen. Daarom is er verder geen medische behandeling ingesteld.

Benadeelde merkt (december 2022) dat zijn kaak langzaam aan het herstellen is. Op sommige momenten doet het nog wel pijn en het kauwen van hard voedsel gaat nog niet.

Het is benadeelde niet gelukt om in het kader van dit verzoek tot schadevergoeding zijn medische gegevens omtrent zijn kaak op te vragen. Daarom verwijst hij hiervoor naar het strafdossier.

Psychische gevolgen

Benadeelde was zeer verbaasd toen verdachte ineens uit de kast tevoorschijn kwam. Nog verbaasder was hij toen hij ook nog is werd geslagen door verdachte terwijl hij de situatie tot bedaren probeerde te brengen. Hij was vooral bezig om de klappen af te weren.

De maandag na het weekend waarin het incident plaatsvond zou hij met een nieuwe baan beginnen. Hij voelde zich mentaal en fysiek niet in staat om te werken. Daarom heeft hij zich ziekgemeld. Hij kreeg echter de mededeling dat hij helemaal niet meer hoefde te komen. Hier baalde hij enorm van. Het heeft nog twee maanden geduurd voordat hij weer ander werk vond. Een ander bijkomend vervelend incident is dat verdachte (en familie van) hem onder druk heeft proberen te zetten om de aangifte in te trekken. Hier is benadeelde niet op ingegaan.

In de dagen na de gebeurtenis was benadeelde bang dat verdachte hem weer zou komen opzoeken of dat hij een ander op hem zou afsturen of zelfs laten vermoorden. Benadeelde is nog steeds bang dat hij verdachte tegen zal komen, vooral in [plaats] waar hij af en toe is vanwege zijn werkzaamheden.”

Het hof heeft over de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij onder meer overwogen:

“Met betrekking tot de vordering, strekkende tot vergoeding van de immateriële schade ad € 650,00 merkt het hof op dat uit het dossier niet zonder meer kan volgen dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte (objectief waarneembaar) letsel heeft bekomen. Naar het oordeel van het hof is er evenwel sprake van aantasting in de persoon van [benadeelde] , nu de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLl:NL:HR:2019:376).

Resumerend zal het hof de vordering toewijzen tot een bedrag van € 827,70, bestaande uit € 177,70 materiële schade en € 650,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.”

Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek luidt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

(...)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast; (...).”

In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“2.4.4 Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:

(...)

b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;

(...).

Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij meermalen tegen het gezicht heeft gestompt. Daarnaast heeft het overwogen dat uit het dossier niet volgt dat de benadeelde partij als gevolg daarvan “(objectief waarneembaar) letsel heeft bekomen”. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het daarin besloten liggende oordeel van het hof dat de aard en ernst van de normschending in dit geval zo ingrijpend zijn dat een onderbouwing met concrete gegevens van die aantasting in de persoon achterwege kan blijven, is niet zonder meer begrijpelijk. Dat de benadeelde partij nog heeft aangevoerd dat, kort gezegd, hij zich na de gebeurtenis mentaal en fysiek niet in staat achtte om te werken en hij bang was en nog steeds is voor de verdachte, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vordering van [benadeelde] tot vergoeding van immateriële schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?