ECLI:NL:HR:2026:482

ECLI:NL:HR:2026:482

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 24/04507
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1292
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:3827

Samenvatting

Moord op haar 11-jarige zoontje door hem in 2020 in Zevenbergen medicijnen toe te dienen (art. 289 Sr) en opzettelijk in hulpeloze toestand brengen en laten van haar zoontje met dood tot gevolg (art. 255 jo. 257.2 Sr). Aftrek van voorarrest in geval van schorsing van voorlopige hechtenis en thuisdetentie, art. 27.1 Sr. Moet periode waarin voorlopige hechtenis onder voorwaarden was geschorst, in mindering worden gebracht op duur van opgelegde gevangenisstraf? O.g.v. art. 27.1 Sr beveelt rechter bij opleggen van tijdelijke vrijheidsstraf dat tijd die veroordeelde voor tenuitvoerlegging van uitspraak heeft doorgebracht in verzekering, in voorlopige hechtenis, in gijzeling o.g.v. art. 6:6:25 Sv, in psychiatrisch ziekenhuis of inrichting bestemd voor klinische observatie, of in detentie in buitenland naar aanleiding van Nederlands verzoek om uitlevering of overlevering, bij uitvoering van vrijheidsstraf in mindering zal worden gebracht. Opvatting dat redelijke wetstoepassing meebrengt dat rechter ook verplicht is in art. 27.1 Sr bedoeld bevel te geven t.a.v. tijd waarin voorlopige hechtenis was geschorst in geval dat voorwaarden waaronder die schorsing heeft plaatsgevonden ertoe strekten dat verdachte zijn woning slechts in zeer beperkte mate mocht verlaten en waarbij naleving daarvan met elektronisch toezicht werd gecontroleerd, vindt geen steun in het recht. Art. 5 EVRM brengt in zo’n geval evenmin verplichting met zich (ook niet als sprake is van zodanige vergaande beperking van bewegingsvrijheid van verdachte a.g.v. schorsingsvoorwaarden dat sprake is van ‘vrijheidsontneming’ a.b.i. 5 EVRM) om over te gaan tot (geheel of gedeeltelijk) in mindering brengen van duur van schorsing bij oplegging of uitvoering van vrijheidsstraf. Dit neemt niet weg dat voorwaarden waaronder schorsing van voorlopige hechtenis plaatsvindt, met zich kunnen brengen dat verdachte gedurende periode van schorsing in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt. Het is daarbij afhankelijk van (i) inhoud van voorwaarden die rechter in individueel geval aan schorsing heeft verbonden en waartoe verdachte zich bereid heeft verklaard deze na te komen, (ii) duur van schorsingsvoorwaarden en (iii) verdere omstandigheden van geval, in welke mate die bewegingsvrijheid wordt beperkt en wat concrete gevolgen daarvan zijn voor dagelijks leven van verdachte. Het is aan rechter om te beoordelen of bij strafoplegging rekening wordt gehouden met dergelijke beperkingen en gevolgen. Rechter hoeft beslissing of en, zo ja, hoe hij daarmee rekening houdt, in beginsel niet te motiveren. Dat is anders als verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt over concrete gevolgen van schorsingsvoorwaarden voor verdachte en betekenis daarvan voor straftoemetingsbeslissing. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04507

Datum 24 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 december 2024, nummer 20-002171-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat de periode waarin de voorlopige hechtenis onder voorwaarden was geschorst, niet in mindering moet worden gebracht op de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Bij de stukken bevindt zich een afschrift van een ‘bevel schorsing voorlopige hechtenis van de meervoudige strafkamer d.d. 10 november 2022’ van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in de strafzaak tegen de verdachte. Dit bevel houdt als de beslissing van de rechtbank in:

“De rechtbank:

schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 15 november 2022 om 12:00 uur, onder de volgende voorwaarden.

1. De aansluiting van het elektronische monitoringsmiddel zal plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden in de P.I. [plaats] , locatie [...] .

2. Verdachte is zolang de schorsing duurt aanwezig op het verblijfsadres: [a-straat 1] [plaats] . Verdachte heeft het recht om ten minste twee uur per dag in de tuin van haar woning te verblijven. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod.

3. Verdachte houdt zich aan de afspraken zoals die met haar gemaakt worden door de toezichthouder Elektronische Monitoring van de reclassering Breda, [b-straat 1] te [plaats] . De toezichthouder wordt [betrokkene 4] , telefoon:06- [...] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De afspraken vinden zoveel mogelijk thuis plaats gelet op de gezondheidstoestand van verdachte. Indien nodig vinden de afspraken plaats bij de reclassering op het kantoor aan de [b-straat 1] te [plaats] .

4. Verdachte zal zonder toestemming van de officier van justitie of de rechtbank niet op enig ander adres verblijven anders dan noodzakelijk in het kader van de opgelegde voorwaarden, dan wel vanwege medische noodzakelijkheid.

(...)

11. Indien (medische) behandeling van verdachte nodig is, vindt dit als uitgangspunt zoveel mogelijk thuis plaats. Ook de huisarts, fysiotherapeut en diëtiste komen zo mogelijk aan huis. Enkel wanneer sprake is van een acuut noodgeval óf een ziekenhuisbezoek dat door een specialist is voorgeschreven, mag verdachte via de kortste weg daar naartoe, ook wanneer dit grensoverschrijdend is, zonder daarbij andere bezoeken af te leggen. Over elke buiten de woning plaats te vinden behandeling zal verdachte de reclassering informeren zodra zij op de hoogte is van die behandeling en zo mogelijk onder overlegging van stukken die de betreffende behandeling bevestigen.

12. Verdachte heeft alleen contact met haar dochter [betrokkene 2] onder de volgende voorwaarden. Het contact vindt alleen plaats na overleg en toestemming van Jeugdbescherming Brabant en vindt plaats op neutraal terrein, namelijk het kantoor van Jeugdbescherming Brabant in [plaats] , op het adres [c-straat 1] . Vanaf december 2022 zal dit kantoor verhuizen naar [plaats] en zullen de bezoeken daar plaatsvinden. De regie over de duur en de frequentie van de bezoeken ligt bij Jeugdbescherming Brabant. De elektronische monitoring zal hierop afgestemd worden. Verdachte zoekt op geen enkele andere wijze contact met haar dochter.

13. Verdachte heeft onder geen beding de zorg voor andere personen dan haar partner, dan wel neemt de zorg daarvoor op zich.

(...).”

Uit de stukken blijkt dat de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst is geweest van 15 november 2022 tot 13 juli 2023.

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2024 hebben de raadslieden van de verdachte daar aangevoerd:

“De rechtbank heeft ons standpunt verworpen voor wat betreft de aftrek van huisdetentie. Volgens de rechtbank is de voorlopige hechtenis op verzoek van de verdachte geschorst. Dat was echter nodig om de medische zorg te kunnen krijgen van het UZA Antwerpen. Zij mocht gedurende die schorsing haar huis niet verlaten en mocht slechts een uurtje in de tuin doorbrengen. Die huisdetentie is daarom te vergelijken met gewone voorlopige hechtenis. Daarom verzoeken wij u ook de huisdetentie in mindering te brengen op een eventueel op te leggen gevangenisstraf.”

Het hof heeft in reactie op dit verweer over de strafoplegging overwogen:

“In navolging van de rechtbank merkt het hof huisarrest en thuisdetentie in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis niet aan als vrijheidsbeneming, maar als een verregaande beperking van de vrijheid. De bewegingsvrijheid van de verdachte is daarmee in hoge mate beperkt, maar zij heeft binnen haar woning en tuin wel de volledige vrijheid gehad om te doen en laten wat zij wilde. Daarmee is die situatie niet gelijk te stellen aan detentie in een huis van bewaring of een gevangenis. Het hof zal de periode waarin de voorlopige hechtenis in eerste aanleg geschorst is geweest dan ook niet aanmerken als voorarrest dat in mindering dient te worden gebracht op de opgelegde straf.”

Op grond van artikel 27 lid 1, eerste volzin, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) beveelt de rechter bij het opleggen van een tijdelijke vrijheidsstraf dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak heeft doorgebracht in verzekering, in voorlopige hechtenis, in gijzeling op grond van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering, in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting bestemd voor klinische observatie, of in detentie in het buitenland naar aanleiding van een Nederlands verzoek om uitlevering of om overlevering, bij de uitvoering van de vrijheidsstraf in mindering zal worden gebracht.

Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat redelijke wetstoepassing meebrengt dat de rechter ook verplicht is het in artikel 27 lid 1 Sr bedoelde bevel te geven ten aanzien van de tijd waarin de voorlopige hechtenis was geschorst, in het geval dat de voorwaarden waaronder die schorsing heeft plaatsgevonden, ertoe strekten dat de verdachte zijn woning slechts in zeer beperkte mate mocht verlaten en waarbij de naleving daarvan met elektronisch toezicht werd gecontroleerd. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) brengt, anders dan het cassatiemiddel betoogt, in zo’n geval evenmin de verplichting met zich – ook niet als sprake is van een zodanige vergaande beperking van de bewegingsvrijheid van de verdachte als gevolg van de schorsingsvoorwaarden dat sprake is van ‘vrijheidsontneming’ in de zin van artikel 5 EVRM – om over te gaan tot het (geheel of gedeeltelijk) in mindering brengen van de duur van de schorsing bij de oplegging of de uitvoering van de vrijheidsstraf. Het cassatiemiddel is daarom tevergeefs voorgesteld.

Het vorenstaande neemt niet weg dat de voorwaarden waaronder schorsing van de voorlopige hechtenis plaatsvindt, met zich kunnen brengen dat de verdachte gedurende de periode van schorsing in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt. Het is daarbij afhankelijk van (i) de inhoud van de voorwaarden die de rechter in het individuele geval aan de schorsing heeft verbonden en waartoe de verdachte zich bereid heeft verklaard deze na te komen, (ii) de duur van de schorsingsvoorwaarden en (iii) ook van de verdere omstandigheden van het geval, in welke mate die bewegingsvrijheid wordt beperkt en wat de concrete gevolgen daarvan zijn voor het dagelijks leven van de verdachte. Het is aan de rechter om te beoordelen of bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met dergelijke beperkingen en gevolgen. De rechter hoeft de beslissing of en, zo ja, hoe hij daarmee rekening houdt, in beginsel niet te motiveren. Dat is anders als de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt over de concrete gevolgen van de schorsingsvoorwaarden voor de verdachte en de betekenis daarvan voor de straftoemetingsbeslissing.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?