ECLI:NL:HR:2026:491

ECLI:NL:HR:2026:491

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 23/03804
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:5

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit deelneming aan criminele organisatie die zich bezighoudt met phishingfraude. Toerekening w.v.v. in geval van meerdere daders. Schatting w.v.v. i.v.m. verdeling tussen betrokkene en andere leden van criminele organisatie. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BK2142, inhoudende dat m.b.t. mate van toerekening van w.v.v. aan betrokkene niet eis geldt dat daaraan ten grondslag liggende f&o aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend, uit HR:2008:BG1667 over toerekening w.v.v. in geval van meerdere daders en mogelijkheid van pondspondsgewijze toerekening, en uit HR:2001:AB3200 m.b.t. kosten die voor aftrek in aanmerking komen en motiveringsplicht voor rechter bij verweer dat bepaalde kosten bij schatting w.v.v. moeten worden afgetrokken. Opvatting dat niet alleen schatting w.v.v. maar ook mate van toerekening daarvan aan betrokkene moet kunnen worden afgeleid uit gebruikte b.m., is gelet op wat hiervoor is vooropgesteld onjuist. Hof heeft aan oordeel dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ten grondslag gelegd dat hij in strafzaak is veroordeeld voor deelneming aan criminele organisatie die als oogmerk had plegen van oplichting, (gewoonte)witwassen en (gewoonte)heling. Daarbij heeft hof o.m. vastgesteld dat betrokkene voorname rol had in de door criminele organisatie verrichte criminele activiteiten, dat personen t.a.v. wie deelneming aan die criminele organisatie is bewezenverklaard ieder eigen rol en taak hadden, en dat aan dossier en verhandelde ttz. geen indicatie valt te ontlenen voor verdeling van opbrengst, behalve t.a.v. medebetrokkene A, die verklaring heeft afgelegd over de aan haar toegekende vergoeding. Verder heeft hof op het tot uitgangspunt genomen totale oplichtingsbedrag de geschatte kosten die in relatie staan tot de door organisatie gepleegde delicten in mindering gebracht, waarbij het ervan is uitgegaan dat “katvangers en hun begeleider(s) een vergoeding hebben gekregen” en dat “daarnaast ook andere kosten zijn gemaakt”. Het op deze manier berekende w.v.v. heeft hof, na aftrek van het o.b.v. van verklaring van A aan haar toegerekende voordeel, pondspondsgewijs verdeeld tussen betrokkene en “andere hoofdrolspelers in criminele organisatie”, onder wie “niet voor zijn kennelijke aandeel in organisatie veroordeelde B”. Dat oordeel is, tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat hof heeft vastgesteld dat betrokkene zelf geen inzicht heeft gegeven in (onderlinge) verdeling van behaald voordeel, toereikend gemotiveerd, ook in het licht van wat namens betrokkene ttz. in hoger beroep is aangevoerd. Omstandigheid dat op pagina van het door hof bevestigde vonnis van Rb in strafzaak melding wordt gemaakt van onduidelijkheid over wie “brein is achter organisatie”, maakt dat niet anders. In de eerste plaats heeft hof met zijn verwijzing naar die pagina kennelijk slechts bedoeld daar geschetste wezenlijke rol van betrokkene (uitzoeken van de aan te schaffen goederen, vinden, ronselen en instrueren van potentiële katvangers, zorgen voor snelle doorverkoop van aangeschafte goederen en in ontvangst nemen van opbrengst van katvangers) in zijn oordeel te betrekken. In de tweede plaats heeft hof in zijn verdeling, naast de op die pagina genoemde personen (A, C en betrokkene), daadwerkelijk rekening gehouden met “niet voor zijn kennelijke aandeel in organisatie veroordeelde persoon” (B). Dat hof in wat namens betrokkene is aangevoerd of anderszins is gebleken geen aanleiding heeft gezien om afgezien van “hoofdrolspelers” C, B en betrokkene nog andere personen in verdeling te betrekken of daarbij tot andere dan pondspondsgewijze verdeling te komen, is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 23/03787 en met 23/03766 P, 23/03767 en 23/03890 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte/betrokkene n-o).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/03804 P

Datum 31 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 20 september 2023, nummer 22-001983-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de betrokkene.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de schatting door het hof van het aan de betrokkene toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel.

In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de betrokkene veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van oplichting, (gewoonte)witwassen en (gewoonte)heling.

Het hof heeft over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene overwogen:

“De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij arrest van 20 september 2023 heeft het hof bewezen verklaard dat de betrokkene in de periode van 4 januari 2014 tot en met 7 mei 2014 samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie welke als oogmerk had het plegen van oplichting, (gewoonte)witwassen en (gewoonte)heling (feit 2).

Hoewel de betrokkene door de rechtbank is vrijgesproken van de oorspronkelijk onder 1 tenlastegelegde oplichtingen, is het hof van oordeel dat wel degelijk aannemelijk is dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de in de bewezen verklaarde periode door de criminele organisatie verrichte criminele activiteiten, waar de betrokkene een voorname rol in had. Dat bij de betrokkene geen geld of dure goederen zijn aangetroffen doet daar niet aan af. De betrokkene is gedurende ongeveer vier maanden samen met onder meer [medeverdachte 2] betrokken geweest bij phishingactiviteiten op grote schaal, waarbij steeds gebruik is gemaakt van min of meer dezelfde modus operandi. Hierbij zijn telkens aanzienlijke geldbedragen van de gedupeerden van hun bankrekeningen afgeschreven en verdwenen. De betrokkene en [medeverdachte 2] hadden een belangrijke rol in de criminele organisatie die zich met deze activiteiten bezighield, welke rol de rechtbank op grond van de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen kernachtig omschrijft op pagina 24 van het vonnis in de strafzaak van de betrokkene. Het hof acht aannemelijk geworden dat de betrokkene door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feit waarvoor hij is veroordeeld wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Bij de schatting van dat voordeel is van belang dat de ontneming is gebaseerd op de bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie en niet op de afzonderlijk ten laste gelegde oplichtingen. De vrijspraak van dat feit staat daaraan niet in de weg. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt immers dat de omstandigheid dat het voordeel door die organisatie is verkregen uit zaken waarvan de betrokkene zelf is vrijgesproken, niet afdoet aan de mogelijkheid van ontneming. Voor deelneming aan een criminele organisatie is immers niet vereist dat de deelnemer strafbaar betrokken is geweest bij concrete strafbare feiten waarop het oogmerk van die organisatie is gericht en waarmee die organisatie daadwerkelijk voordeel heeft behaald. In een geval als het onderhavige is het voordeel aan te merken als verkregen door middel van de deelneming aan de criminele organisatie, ook voor zover het gaat om binnen het oogmerk van die organisatie gelegen, door leden van de criminele organisatie begane concrete misdrijven, waarvan niet bewezen kan worden dat de betrokkene daaraan feitelijk (als medepleger) heeft deelgenomen.

Het hof stelt vast dat de betrokkene geen verklaring heeft afgelegd over zijn verdiensten uit zijn deelname aan de criminele activiteiten waarvoor hij is veroordeeld. Het hof is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel onder deze omstandigheden kan worden geschat op basis van de zogenoemde transactiemethode. Dit betekent dat uitgegaan wordt van de bedragen die zijn verworven door middel van de door de criminele organisatie gepleegde oplichtingen (de bedragen die zijn afgeschreven van de bankrekeningen van de slachtoffers). Het hof gaat daarbij uit van de in de zaak van de betrokkene bewezen verklaarde periode. Overigens maakt de omstandigheid dat de waarde van de buit verminderde gedurende het witwassen daarvan niet dat het door de criminele organisatie waar de betrokkene deel van uitmaakte verkregen voordeel op een lager bedrag dient te worden geschat.

In de in de strafzaak van de betrokkene bewezen verklaarde periode zijn de volgende zaaksdossiers aan de orde.

Opbrengsten

Zaaksdossier

Benadeelde partij

Bedrag

18

[benadeelde 1] / [A]

€ 39.400,00

19

[benadeelde 2]

€ 44.950,00

22

[benadeelde 3]

€ 48.950,00

23

[benadeelde 4]

€ 47.250,00

24

[benadeelde 5]

€ 44.950,00

26

[benadeelde 6]

€ 49.950,00

27

[benadeelde 7]

€ 37.700,00

28

[benadeelde 8]

€ 29.500,00

35

[benadeelde 9]

€ 11.360,00

37

[benadeelde 10]

€ 6.501,95

38

[benadeelde 11]

€ 24.750,00

Totaal bedrag

€ 388.261,95

Verdeling

Ten aanzien van de onderlinge verdeling van het voordeel over de drie personen ten aanzien van wie de deelneming aan de criminele organisatie is bewezen verklaard, overweegt het hof dat uit het dossier is gebleken dat de betrokkenen ieder een eigen rol en taak hadden en dat ten aanzien van hen verschillende pleegperioden bewezen zijn verklaard.

De betrokkene heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel. [medeverdachte 1] heeft dat wel gedaan en op grond daarvan heeft het hof in haar zaak aannemelijk geacht dat zij niet gelijkelijk heeft gedeeld in de opbrengsten. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt voorts geen indicatie te ontlenen voor de verdere verdeling van de opbrengst. Voor wat betreft de verdeling van het behaalde voordeel tussen de betrokkene en de andere hoofdrolspelers in de criminele organisatie (waaronder de niet voor zijn kennelijke aandeel in de organisatie veroordeelde [medeverdachte 8] ) zijn naar het oordeel van het hof geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel dan op basis van gelijke verdeling. Het hof zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel in gelijke delen toerekenen. Daarbij zal het hof rekening houden met het in de relevante periode aan [medeverdachte 1] toe te rekenen deel en enige kosten.

Kosten

De betrokkene is als deelnemer aan de criminele organisatie (gelet op de bewezen verklaarde periode) bij elf zaaksdossiers betrokken geweest. Het hof zal per zaaksdossier € 1.000,- aan kosten op de opbrengst in mindering brengen. Dit betreft een schatting van de kosten waarvan het hof aannemelijk acht dat die per oplichting zijn gemaakt, hoewel de betrokkene niets heeft aangevoerd over gemaakte kosten. Het hof gaat er met de rechtbank van uit dat katvangers (degenen die de horloges en auto's hebben opgehaald) en hun begeleider(s) een (bescheiden) vergoeding hebben gekregen en dat daarnaast ook andere kosten, zoals kosten voor de aanschaf van ICT-apparatuur en telefoonkosten, zijn gemaakt. Voorts zal het hof het deel van de medeverdachte [medeverdachte 1] (gelet op de totale opbrengst van de criminele activiteiten van de organisatie in de in haar strafzaak bewezen verklaarde periode en de daarvoor in totaal aan haar uitgekeerde vergoeding: omgerekend 5% van het totaal) van de opbrengst aftrekken.

Voornoemde levert de volgende berekening op.

Totale opbrengt: € 388.261,95

minus € 11.000,- (11 maal € 1.000,- per zaaksdossier)

minus € 18.863,10 (5% deel [medeverdachte 1] )

= € 358.398,85

Dit resterende bedrag dient gelijkelijk over de drie betrokkenen (betrokkene, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] ) verdeeld te worden.

€ 358.398,85 / 3 = € 119.466,28

Het hof zal het in de strafzaak toegewezen bedrag aan schadevergoeding niet in mindering brengen op het ontnemingsbedrag, reeds omdat die beslissing thans nog niet onherroepelijk is.”

De herstelbeslissing van het hof van 20 september 2023 houdt in:

“Het hof heeft geconstateerd dat dit arrest een onmiddellijk kenbare fout bevat, die zich voor eenvoudig herstel leent (vgl. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478). Deze fout is niet in het nadeel van de verdachte.

Onder het kopje ‘Opbrengsten’ op pagina 4 in het arrest is abusievelijk bij zaaksdossier 35 als benadeelde partij [benadeelde 9] opgenomen (met een bedrag van € 11.360,00).

Dit bedrag dient derhalve afgetrokken te worden van het totaalbedrag aan opbrengsten ad € 388.261,95, waarna er een bedrag van € 376.901,95 resteert.

Na aftrek van de kosten (minus € 10.000,- (10 maal € 1.000,- per zaaksdossier) en minus € 18.345,10 (5% deel [medeverdachte 1] )) resteert een bedrag ad € 348,556,85.

Dit resterende bedrag dient gelijkelijk over de drie betrokkenen (betrokkene, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] ) verdeeld te worden.

€ 348.556,85 / 3 = € 116.185,62

Bij het opnieuw vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel is opnieuw rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, in die zin dat door de in beginsel op te leggen ontnemingsmaatregel van € 116.185,62 wordt gematigd tot € 98.000,-.”

Pagina 24 van het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank in de strafzaak tegen de betrokkene houdt in:

“Rolverdeling [medeverdachte 2] , [betrokkene] en [medeverdachte 1]

Hoewel het onderzoek niet alle schakels in het samenwerkingsverband heeft kunnen blootleggen (zo is niet duidelijk geworden wie het brein achter de organisatie was en waar de initiële contactgegevens van de rekeninghouders van de Rabobank vandaan kwamen) is naar het oordeel van de rechtbank wel komen vast te staan dat [medeverdachte 2] , [betrokkene] en [medeverdachte 1] over een langere periode hebben deelgenomen aan dit samenwerkingsverband en daarin elk hun eigen rol en taak hadden, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven.

Zo was [medeverdachte 2] degene die zich (onder meer) bezighield met het selecteren en verkrijgen van vertrouwelijke informatie van rekeninghouders en het verspreiden van e-mailberichten die van een bank afkomstig leken. Op de bij [medeverdachte 2] aangetroffen zwarte iPhone zijn bestanden aangetroffen met daarop de bankrekeninggegevens (rekeningnummers, telefoonnummer, geboortedata en pasnummer) van een groot aantal gedupeerden in de onderhavige zaak. Deze informatie bleek onmisbaar te zijn voor het plegen van de oplichtingen.

[betrokkene] hield zich bezig met het uitzoeken van aan te schaffen goederen en was daarnaast degene die ervoor zorgde dat potentiële katvangers werden gevonden, geronseld en geïnstrueerd. Ook zorgde hij voor de snelle doorverkoop van de aangeschafte goederen en nam hij de opbrengst in ontvangst van de katvangers.

[medeverdachte 1] ten slotte was degene die de rekeninghouders van de Rabobank benaderde en hen de informatie wist te ontfutselen waarmee de organisatie toegang verkreeg tot de rekening. Daarnaast onderhield zij contact met de juweliers en autodealers en stuurde zij de katvangers aan die op pad werden gestuurd om de horloges, auto's en motoren op te halen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [medeverdachte 2] , [betrokkene] en [medeverdachte 1] alle drie een substantieel aandeel gehad in de criminele organisatie en de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Zoals hiervoor is overwogen en uit de bewijsmiddelen blijkt, was sprake van een handelwijze die een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen vergde. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [betrokkene] hebben deelgenomen aan een samenwerkingsverband dat tot doel had om misdrijven te plegen.

Voor wat betreft de pleegperiode van [betrokkene] sluit de rechtbank aan bij de verklaring van [medeverdachte 7] , die heeft verklaard dat hij een halfjaar met [betrokkene] heeft “gewerkt”. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [betrokkene] gedurende de ten laste gelegde periode aan de criminele organisatie heeft deelgenomen.”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2023 heeft de raadsvrouw van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Hoeveelheid mensen - meer kosten

12. In de berekening van, zowel de rechtbank, als het Advocaat-Generaal, wordt mijns inziens vervolgens het voordeel berekend tussen te weinig mensen die hiervan hebben genoten. Inmiddels is wel duidelijk dat er mensen nooit zijn aangehouden en dat ervan vermoedelijk veel mensen helemaal niets bekend is.

13. Allereerst uiteraard [medeverdachte 8] , welke als hoofdverdachte is aangewezen en wie (vermoed ik) het meeste voordeel heeft genoten. Ik verzoek uw Hof om hem mee te nemen in de berekening als degene die het meeste heeft verdiend.

14. Daarnaast ging de rechtbank uit van kosten ten bedrage van € 52.128,04. Dit is geschat en lijkt erop (zoals de AG al zei) dat voor dit bedrag is gekozen om vervolgens tot een rond bedrag van € 600.000 aan voordeel te komen.

15. Maar het geld moest met veel meer verdeeld worden of er waren meer kosten, omdat meer betaald moesten worden. Dit blijkt bijvoorbeeld al uit de vermeende verdeelsleutel welke in het dossier is aangetroffen en waarop meerdere namen vermeld staan, zoals de naam [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .

16. Over [betrokkene 2] heeft [medeverdachte 1] bij de RHC bijvoorbeeld verklaard dat hij ook een van de mannen was welke informatie aanleverde.

17. Ook is getuige [getuige] (vriendin [medeverdachte 3] ) gehoord en opmerkelijk genoeg heeft zij verklaard over hetgeen volgens haar de rolverdeling was binnen de vermeende organisatie. Als zij het over de groep heeft, spreekt zij over en ik citeer: ‘ [betrokkene 5] . [betrokkene 6] . [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en nog een paar andere. Ook eentje met een klein hoofdje een donkere jongen. Ja, die heet [betrokkene 10] . [betrokkene 5] is de leider, om het maar even zo te zeggen. Er is ook nog iemand in [plaats] . Die in [plaats] is volgens mij een tweeling. Een van de tweeling is niet helemaal goed. Ik weet hun naam niet. Er is ook een meisje. Dat is de ex van [betrokkene 5] . Zij belt. Ze heet [betrokkene 11] . Ze woont in [plaats] . Ze noemen haar [bijnaam betrokkene 11] of [bijnaam betrokkene 11] ’. Volgens haar is [betrokkene 5] de leider en hij geeft de opdrachten.

18. Nog meer namen welke betrokkenheid zouden hebben. Maar ook in de tapgesprekken worden komen meer namen naar voren:

a. [medeverdachte 7] wacht op [betrokkene 12] ;

b. Of iemand aan [betrokkene 13] kan vragen of hij [medeverdachte 7] wil bellen; Over deze [betrokkene 13] heeft [medeverdachte 7] ook verklaard dat het iemand uit de groep is.

Geld katvangers

19. De AG gaat er vanuit dat elke katvanger € 500,-- heeft gekregen en dat bij achttien zaaksdossiers en acht overige dossiers is € 13.000,-- (500 x 26).

20. Uit een tapgesprek van [medeverdachte 7] blijkt dat hij zelf belt met een potentiële tussenpersoon/ronselaar. Hij vertelt hem dat die jongen een katvanger moet zoeken welke een dag een auto op naam krijgt en dat zowel hij als degene die hij vindt, dan 5 barkies krijgen (500 per persoon per auto). Ook vertelt hij dat diegene 5 barkjes (500) kan krijgen voor een dagje werken.

21. Ik ben het eens met de berekening van de AG dat een katvanger dus € 500,- krijgt, maar uit het dossier blijkt bovendien dat de auto’s en/of horloges vaak werden opgehaald door een tweetal. Dit maakt dat de kosten voor de katvangers dan al moeten worden vastgesteld op € 26.000,-.

22. En dat daarnaast, zoals [medeverdachte 7] aan de telefoon uitlegde, ook de tussenpersoon nog € 500,- krijgt. Dit zou nog eens € 13.000,- aan extra kosten opleveren.

Overige kosten

23. Ook verzoek ik u nog een bedrag aan overige kosten te bepalen, zoals het gebruik van het ‘kantoor’ bij Titi, telefoonkosten, brandstofkosten, kosten aanschaf tablets, laptops en telefoons etc.”

Op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht alleen ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Wat betreft de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene geldt niet de eis dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek op de terechtzitting zijn gebleken. (Vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142.)

In het geval dat er meerdere daders zijn, zal de rechter niet altijd direct kunnen vaststellen wat de omvang is van het door de betrokkene verkregen voordeel. Dan zal de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de verschillende daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan de betrokkene moet worden toegerekend. Als de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend aan de betrokkene. Dit betekent niet dat de rechter, in het geval er meerdere daders zijn, verplicht is tot een verdeling te komen en ook niet dat, wanneer de rechter wel tot een verdeling komt, pondspondsgewijze toerekening van het voordeel aan de betrokkene het uitgangspunt moet vormen. De omstandigheden van het geval zijn bij de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter verplicht is die schatting nader te motiveren, komt bovendien betekenis toe aan de procesopstelling van de betrokkene. (Vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667.)

Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en, zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met dergelijke kosten. De rechter is in het algemeen niet verplicht om de beslissing daarover te motiveren. Dat is anders als namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de betreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden afgetrokken. Dan moet de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als dergelijke kosten kunnen gelden maar dat zij – al dan niet gedeeltelijk – voor rekening van de betrokkene moeten blijven. (Vgl. HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200.)

Voor zover aan het cassatiemiddel de opvatting ten grondslag ligt dat niet alleen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ook de mate van toerekening daarvan aan de betrokkene moet kunnen worden afgeleid uit de gebruikte bewijsmiddelen, faalt dit gelet op wat onder 2.3.1 is vooropgesteld.

Het cassatiemiddel klaagt verder onder meer over de manier waarop het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel – waarvan het hof de totale omvang heeft geschat aan de hand van de concrete bedragen waarvoor in de bewezenverklaarde periode slachtoffers zijn opgelicht – aan de betrokkene heeft toegerekend. Het hof heeft aan zijn oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ten grondslag gelegd dat hij in de strafzaak is veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van oplichting, (gewoonte)witwassen en (gewoonte)heling. Daarbij heeft het hof onder meer vastgesteld dat de betrokkene een voorname rol had in de door de criminele organisatie verrichte criminele activiteiten, dat de personen ten aanzien van wie de deelneming aan die criminele organisatie is bewezenverklaard ieder een eigen rol en taak hadden, en dat aan het dossier en het verhandelde op de terechtzitting geen indicatie valt te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst, behalve ten aanzien van medebetrokkene [medeverdachte 1] , die een verklaring heeft afgelegd over de aan haar toegekende vergoeding. Verder heeft het hof op het tot uitgangspunt genomen totale oplichtingsbedrag de geschatte kosten die in relatie staan tot de door de organisatie gepleegde delicten in mindering gebracht, waarbij het ervan is uitgegaan dat “katvangers en hun begeleider(s) een vergoeding hebben gekregen” en dat “daarnaast ook andere kosten zijn gemaakt”. Het op deze manier berekende wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof, na aftrek van het op basis van de verklaring van [medeverdachte 1] aan haar toegerekende voordeel, pondspondsgewijs verdeeld tussen de betrokkene en de “andere hoofdrolspelers in de criminele organisatie”, onder wie “de niet voor zijn kennelijke aandeel in de organisatie veroordeelde [medeverdachte 8] ”.

Dat oordeel is, tegen de achtergrond van wat onder 2.3 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene zelf geen inzicht heeft gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel, toereikend gemotiveerd, ook in het licht van wat namens de betrokkene op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. Dat de toelichting op het cassatiemiddel in verband met het aantal personen tussen wie dit voordeel zou moeten worden verdeeld verwijst naar pagina 24 van het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank in de strafzaak, waar melding gemaakt wordt van onduidelijkheid over wie het “brein is achter de organisatie”, maakt dat niet anders. In de eerste plaats heeft het hof met zijn verwijzing naar die pagina kennelijk slechts bedoeld de daar geschetste wezenlijke rol van de betrokkene – het uitzoeken van aan te schaffen goederen, het vinden, ronselen en instrueren van potentiële katvangers, het zorgen voor snelle doorverkoop van de aangeschafte goederen en het in ontvangst nemen van de opbrengst van de katvangers – in zijn oordeel te betrekken. In de tweede plaats heeft het hof in zijn verdeling, naast de op die pagina 24 genoemde personen ( [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de betrokkene), daadwerkelijk rekening gehouden met een “niet voor zijn kennelijke aandeel in de organisatie veroordeelde persoon”, te weten deze [medeverdachte 8] . Dat het hof in wat namens de betrokkene is aangevoerd of anderszins is gebleken geen aanleiding heeft gezien om afgezien van de “hoofdrolspelers” [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] en de betrokkene nog andere personen in de verdeling te betrekken of daarbij tot een andere dan een pondspondsgewijze verdeling te komen, is niet onbegrijpelijk.

3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/03787, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?