ECLI:NL:HR:2026:495

ECLI:NL:HR:2026:495

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 25/02264
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Prejudiciële beslissing
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:10265
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1210

Samenvatting

Inkomstenbelasting; art. 2.17 (4) Wet IB 2001; art. 25e AWR; collectieve uitspraak in massaalbezwaarprocedure; termijn voor wijziging onderlinge verhouding tussen fiscale partners nadat de aanslag is verminderd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02264

Datum 27 maart 2026

PREJUDICIËLE BESLISSING

op het verzoek van de Rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) aan de Hoge Raad om in het geding tussen

[X] (hierna: belanghebbende)

en

de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST (hierna: de Inspecteur)

de bij beslissing van 27 mei 2025, nr. SGR 23/4225, op de voet van artikel 27ga AWR voorgelegde vragen bij wijze van prejudiciële beslissing te beantwoorden.

1. De procedure in feitelijke instantie

De Inspecteur heeft afwijzend beslist op een verzoek van belanghebbende om de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2017 te verminderen wegens een wijziging door belanghebbende en zijn echtgenote van de tussen hen tot stand gekomen onderlinge verhouding voor de grondslag sparen en beleggen. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld.

2. Het procesverloop bij de Hoge Raad

De Rechtbank heeft aan de Hoge Raad prejudiciële vragen voorgelegd.

Zowel belanghebbende, vertegenwoordigd door M.P. Lagerwaard, als de Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P], heeft schriftelijke opmerkingen ingediend.

Nadat de Hoge Raad ook aan anderen dan partijen de gelegenheid had geboden om naar aanleiding van de vragen van de Rechtbank schriftelijke opmerkingen in te dienen, heeft C. Overduin een reactie ingediend.

De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 7 november 2025 geconcludeerd tot beantwoording van de prejudiciële vragen op de wijze als vermeld in onderdeel 8 van de conclusie.

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten

Aan zowel belanghebbende als zijn echtgenote (hierna: de partner) zijn aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de IB/PVV) voor het jaar 2017 opgelegd. De aanslag van de partner is op 7 mei 2018 onherroepelijk vast komen te staan.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2017. Zijn bezwaarschrift maakt deel uit van de bezwaarschriften die met toepassing van artikel 25a AWR zijn aangemerkt als massaal bezwaar over de box 3-heffing.

Dit bezwaar is bij collectieve uitspraak van 4 februari 2022 gegrond verklaard. Met dagtekening 21 juli 2022 heeft de Inspecteur naar aanleiding daarvan een verminderingsbeschikking in de IB/PVV voor het jaar 2017 aan belanghebbende gestuurd.

Belanghebbende en de partner hebben op 22 juli 2022 aan de Inspecteur met een beroep op artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 laten weten dat zij de tussen hen tot stand gekomen onderlinge verhouding (de verdeling) voor de grondslag sparen en beleggen willen wijzigen. Uiteindelijk hebben zij de Inspecteur laten weten dat zij de grondslag sparen en beleggen volledig willen toerekenen aan de partner en dus het aandeel in de grondslag sparen en beleggen van belanghebbende willen verminderen tot nihil.

De Inspecteur heeft laten weten dat hij zich niet met deze wijziging kan verenigen, en heeft daarom geweigerd de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de IB/PVV op die grond verder te verminderen.

Bij de Rechtbank is in geschil of belanghebbende en de partner de verdeling van de grondslag sparen en beleggen nog konden wijzigen na de hiervoor in 3.3 bedoelde collectieve uitspraak.

4. De prejudiciële vragen

De Rechtbank heeft de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:

“1) Beslaat recht op wijziging van de tot stand gekomen onderlinge verhouding, als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001, als een aanslag IB/PW onherroepelijk komt vast te staan door een collectieve uitspraak, als bedoeld in artikel 25e van de AWR, en de aanslag IB/PVV van de fiscaal partner door deze collectieve uitspraak eveneens onherroepelijk wordt, dan wel reeds onherroepelijk was, indien op dat moment de rechtsgevolgen van de collectieve uitspraak voor de aanslag (of aanslagen) nog niet kenbaar zijn?

2) Zo ja, tot wanneer kan een gezamenlijk verzoek tot wijziging van de tot stand gekomen onderlinge verhouding door een belastingplichtige en zijn partner worden gedaan?”

5. Beoordeling van de prejudiciële vragen

De vragen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Het wijzigen van de onderlinge verhouding tussen partners als bedoeld in (thans) artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 was aanvankelijk, bij de invoering van de Wet IB 2001, slechts mogelijk als de aanslagen van beide partners nog niet onherroepelijk vaststonden (artikel 2.17, lid 3, Wet IB 2001, tekst 2001). In 2005 werd het mogelijk de onderlinge verhouding ook te wijzigen in geval van navordering (artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001, tekst vanaf 1 maart 2005).

Met ingang van 1 januari 2009 is het mogelijk de onderlinge verhouding te wijzigen totdat voor beide partners de aanslagen onherroepelijk zijn geworden. In het geval een aanslag onherroepelijk komt vast te staan door een uitspraak van de Hoge Raad, kan de onderlinge verhouding nog tot zes weken na de uitspraak van de Hoge Raad worden gewijzigd (artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001, tekst vanaf 2009).

De regeling over de massaalbezwaarprocedure is met ingang van 1 april 2003 opgenomen in de AWR. Aanvankelijk voorzag deze regeling alleen in een collectieve uitspraak op daartoe door de Minister van Financiën aangewezen bezwaren indien het standpunt van de belanghebbenden ter zake van de rechtsvraag waarop die aanwijzing betrekking had, bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak geheel was afgewezen (artikel 25a, lid 7, AWR, tekst vanaf 1 april 2003). Vervolgens kon een belanghebbende op grond van deze regeling de inspecteur verzoeken de collectieve uitspraak op bezwaar voor zijn geval te vervangen door een individuele uitspraak op bezwaar (artikel 25a, lid 9, AWR, tekst vanaf 1 april 2003). Daartegen kon de belanghebbende een rechtsmiddel aanwenden. Indien bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak geheel of gedeeltelijk aan het standpunt van de belanghebbende ter zake van de rechtsvraag was tegemoetgekomen, verloren de desbetreffende bezwaren op grond van het toenmalige artikel 25a, lid 11, AWR de status van massaal bezwaar, en deed de inspecteur daarop individueel uitspraak binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de eerstbedoelde uitspraak. Ook daartegen kon de belanghebbende een rechtsmiddel aanwenden.

Met ingang van 2016 zijn deze mogelijkheden tot het verkrijgen van een individuele uitspraak na een massaalbezwaarprocedure vervallen. Op grond van het toen ingevoerde artikel 25e, lid 1, AWR beslist de inspecteur op de bezwaarschriften waarvoor een aanwijzing massaal bezwaar is gegeven door middel van één collectieve uitspraak op bezwaar nadat de rechtsvraag die van belang is voor die bezwaarschriften onherroepelijk is beantwoord door de rechter. Dat geldt ook indien de inspecteur bij deze rechterlijke uitspraak geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. In dat geval vermindert de inspecteur de belastingaanslagen en beschikkingen waarop de op grond van de massaalbezwaarprocedure aangewezen bezwaren betrekking hebben, en wel binnen zes maanden na de kennisgeving van de collectieve uitspraak op bezwaar (artikel 25e, lid 4, AWR). De betrokken belanghebbenden kunnen ter zake hiervan geen rechtsmiddel aanwenden. Tegen de collectieve uitspraak op bezwaar kan op grond van artikel 25e, lid 3, AWR namelijk geen beroep worden ingesteld; tegen de vermindering kan evenmin een rechtsmiddel worden aangewend. Door de collectieve uitspraak op bezwaar wordt de aanslag of beschikking daarom onherroepelijk voor zover het bezwaar daartegen als massaal bezwaar is aangewezen.

De hiervoor in 5.3.2 bedoelde wetswijziging zou bij een letterlijke uitleg van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 tot gevolg hebben dat een belastingplichtige wiens bezwaar als massaal bezwaar is aangewezen, en wiens aanslag als gevolg van een collectieve uitspraak op bezwaar onherroepelijk is komen vast te staan, daarna geen mogelijkheid meer heeft om met zijn fiscale partner op de voet van deze bepaling te kiezen voor een wijziging van de onderlinge verhouding. Met dit gevolg heeft de wetgever bij de hiervoor in 5.3.2 beschreven wijziging van de massaalbezwaarprocedure kennelijk geen rekening gehouden.

Voor het geval een aanslag in de IB/PVV onherroepelijk komt vast te staan vanwege een uitspraak van de Hoge Raad in een door de belastingplichtige gevoerde individuele procedure, achtte de wetgever het ongewenst dat de belastingplichtige en zijn fiscale partner daarna geen mogelijkheid meer zouden hebben om op basis van die uitspraak de toerekening te wijzigen. Daarom is in de slotzin van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 geregeld dat de belastingplichtige en zijn fiscale partner in een dergelijk geval tot zes weken na de uitspraak van de Hoge Raad waardoor de aanslag onherroepelijk komt vast te staan, de mogelijkheid hebben de door hen gekozen toerekening te wijzigen. Daarbij is kennelijk het uitgangspunt van de wetgever geweest dat hiervoor aan de betrokken belastingplichtigen na de uitspraak van de Hoge Raad nog een termijn van zes weken behoort te worden gegund, omdat zij eerst op basis van die uitspraak voldoende duidelijkheid zullen hebben over de cijfermatige gevolgen van de door hen gekozen toerekening en van een eventuele wijziging daarvan.

In redelijkheid valt niet in te zien waarom minder gelegenheid tot herziening van de gekozen toerekening zou moeten worden geboden aan belastingplichtigen waarvan de rechtspositie wordt bepaald door de uitkomst van een massaalbezwaarprocedure. Een met het hiervoor in 5.4.2 genoemde uitgangspunt van de wetgever strokende redelijke wetstoepassing brengt daarom mee dat deze belastingplichtigen tezamen met hun fiscale partner de door hen gekozen verdeling kunnen wijzigen tot zes weken nadat zij op basis van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak in de massaalbezwaarprocedure voldoende duidelijkheid hebben gekregen over de cijfermatige gevolgen van de door hen gekozen toerekening en van een eventuele wijziging daarvan. In gevallen waarin de inspecteur bij die rechterlijke uitspraak met betrekking tot de aangewezen rechtsvraag geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, zullen deze gevolgen voor een belastingplichtige en diens fiscale partner veelal nog niet volledig duidelijk zijn na de collectieve uitspraak, en pas voldoende duidelijk worden na de individuele verminderingsbeschikking van de inspecteur als bedoeld in artikel 25e, lid 4, AWR. Uit overwegingen van uitvoerbaarheid dient hier niet bepalend te zijn wanneer die duidelijkheid in het individuele geval is ontstaan, maar heeft in deze gevallen als vaste regel te gelden dat de onderlinge verhouding kan worden gewijzigd tot zes weken nadat de aanslag in de IB/PVV door de inspecteur op grond van artikel 25e, lid 4, AWR ter uitwerking van de collectieve uitspraak is verminderd.

Opmerking verdient nog dat de belastingplichtige de inspecteur daarna weliswaar kan verzoeken om de aanslag ambtshalve (verder) te verminderen, maar dat daarmee geen extra mogelijkheden ontstaan om de tot stand gekomen onderlinge verhouding op de voet van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 te wijzigen. De mogelijkheid van ambtshalve vermindering ontneemt aan die aanslagen namelijk niet het definitieve karakter ervan.

Gelet op het voorgaande dient op de prejudiciële vragen als volgt te worden geantwoord. Een belastingplichtige van wie een aanslag in de IB/PVV onherroepelijk komt vast te staan door een collectieve uitspraak op bezwaar als bedoeld in artikel 25e AWR, terwijl de inspecteur met betrekking tot de aangewezen rechtsvraag geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, kan de tot stand gekomen onderlinge verhouding tezamen met diens fiscale partner op de voet van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 wijzigen tot zes weken nadat die aanslag door de inspecteur op grond van artikel 25e, lid 4, AWR ter uitwerking van die collectieve uitspraak is verminderd.

6. Proceskosten

Door de Rechtbank zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van deze prejudiciële procedure een vergoeding dient te worden toegekend.

7. Beslissing

De Hoge Raad beantwoordt de hiervoor in onderdeel 4 weergegeven vragen op de hiervoor in 5.4.5 bedoelde wijze.

Deze prejudiciële beslissing is gegeven door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NDFR Nieuws 2026/470 Viditax (FutD) 2026032701 V-N Vandaag 2026/568
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?