HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01767 U
Datum 31 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 april 2025, nummer UTL-I-2025000220, op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering
van
[de opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat T.M.D. Buruma bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de stukken ongenoegzaam zijn. Het voert daartoe onder meer aan dat het bevel tot aanhouding is gedateerd na de datum van het uitleveringsverzoek.
De rechtbank heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:
“1.1 Het verzoek tot uitlevering
Bij brief van 24 januari 2025 hebben de Turkse autoriteiten aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland een gewaarmerkt verzoek doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de voornoemde opgeëiste persoon voor strafvervolging (hierna: het uitleveringsverzoek). Het verzoek is nogmaals toegezonden op 25 maart 2025.
(...)
De door de verzoekende staat overgelegde stukken
In voormeld verzoek zijn de volgende stukken opgenomen:
• het vereiste door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
(...)
3 Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering
(...)
Genoegzaamheid van de stukken
De verdediging heeft gesteld dat in strijd met artikel 12 van het EUV het overgelegde bevel tot aanhouding (‘arrest warrant’) gelet op de datum daarvan (20 januari 2025) niet geacht kan worden het uitleveringsverzoek van 14 januari 2025 te staven. In de ‘red notice’ wordt gesproken van een arrestatiebevel van 4 augustus 2015 en dit ontbreekt. Voorts ontbreken de originele ‘indictment’ van 26 januari 2014 en de hiervoor genoemde ‘communication detection order’. Volgens de verdediging kan gelet op de verschillende dossiernummers die in het uitleveringsdossier en het aanhoudingsbevel zijn genoemd en voorts, gelet op de tegenstrijdigheden tussen het uitleveringsverzoek en het ‘red notice-bevel’, niet worden beoordeeld voor welke zaak de uitlevering wordt verzocht. (...)
Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het EUV bepaalt onder meer dat tot staving van (‘be supported by’) het uitleveringsverzoek een bevel tot aanhouding dient te worden overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling niet vereist dat het over te leggen bevel tot aanhouding gedateerd dient te zijn voor de datum van het uitleveringsverzoek. Evenmin is vereist dat eerder uitgevaardigde arrestatiebevelen worden overgelegd. Bij het verzoek zijn de in artikel 18 van de UW en artikel 12 van het EUV genoemde stukken gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit afdoende worden opgemaakt voor welke feiten de opgeëiste persoon wordt vervolgd. Het overleggen van het dossier met de genoemde ‘indictment’ van 26 januari 2014 is niet vereist. Het is voorts niet aan de rechter in deze uitleveringsprocedure om te toetsen of de opeisende staat voldoende bewijs heeft voor de verdenking. Mitsdien is evenmin vereist dat de eerder genoemde ‘minutes’ worden overgelegd. De stukken worden door de rechtbank genoegzaam geoordeeld. De door de verdediging genoemde tegenstrijdigheden en andere opmerkingen doen daar niet aan af.”
De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 18 lid 3, aanhef en onder a, van de Uitleveringswet:
“Het verzoek moet vergezeld gaan van:
(a) het origineel of een authentiek afschrift
hetzij van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis,
hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft,
een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.”
- Artikel 12 lid 2, aanhef en onder a, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV):
“Tot staving van het verzoek dienen te worden overgelegd:
(a) het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, hetzij van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij.”
De klacht berust op de opvatting dat een bevel tot aanhouding dat is gegeven nadat het uitleveringsverzoek is gedaan, niet kan worden aangemerkt als een bevel tot aanhouding in de zin van artikel 18 lid 3, aanhef en onder a, Uitleveringswet en artikel 12 lid 2, aanhef en onder a, EUV. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Uit deze bepalingen volgt namelijk niet dat het bevel tot aanhouding al moet zijn gegeven op het moment dat het uitleveringsverzoek wordt gedaan.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.