ECLI:NL:HR:2026:501

ECLI:NL:HR:2026:501

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 25/00048
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1329
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:2817

Samenvatting

Personen- en familierecht. Echtscheiding. Toedeling echtelijke woning. Aanspraak op onderbedelingsvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Belang bij grief?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/00048

Datum 27 maart 2026

ARREST

In de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de vrouw,

advocaat: J.E. Strengholt-Geitenbeek,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de man,

advocaat: N.C. van Steijn.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/15/321710 / HA ZA 21-576 van de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2022 en 6 april 2022;

b. het arrest in de zaak 200.317.639/01 van het gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2024.

De vrouw heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt in het principale en het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 1990 gehuwd in gemeenschap van goederen. Het huwelijk is in maart 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Tot de huwelijksgemeenschap behoorde de echtelijke woning, gefinancierd met een aflossingsvrije hypothecaire geldlening van € 238.000,--. De man is na de scheiding in de woning blijven wonen.

(iii) Bij vonnis van 11 maart 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland de woning aan de man toegedeeld, onder de voorwaarde dat de bank instemt met ontslag van de vrouw uit haar verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire lening. Daarbij is ervan uitgegaan dat de woning € 127.500,-- waard is. Met betrekking tot de onderwaarde van (€ 238.000,-- minus € 127.500,--) € 110.500,-- heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld tot betaling van de helft daarvan, zijnde € 55.250,--, aan de man bij levering van haar onverdeelde helft van de woning en ontslag van de vrouw uit haar verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire lening (hierna ook: de onderbedelingsvordering).

(iv) Op 1 januari 2020 is de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 346.000,--.

(v) Op 5 maart 2020 heeft de man de vrouw verzocht de onderbedelingsvordering van € 55.250,-- te betalen. De vrouw heeft hieraan niet voldaan.

(vi) Op 1 december 2020 heeft de man het vonnis van 11 maart 2015 aan de vrouw laten betekenen. Bij notariële akte van partiële verdeling en levering van 15 december 2020 is de aan de vrouw toebehorende onverdeelde helft van de woning aan de man geleverd, waarbij het vonnis van 11 maart 2015 in de plaats is getreden van de wilsverklaring van de vrouw. In de notariële akte zijn de onderbedelingsvordering van de man op de vrouw en een vordering van de vrouw op de man omgezet in een geldlening van de man aan de vrouw van (per saldo) € 48.673,43, te vermeerderen met 4% rente vanaf 15 december 2020.

In dit geding hebben partijen over en weer vorderingen ingesteld. Voor zover in cassatie van belang vordert de vrouw in conventie (i) veroordeling van de man tot betaling van een vergoeding van € 133.302,35 voor het gebruik van de woning gedurende de periode van 1 mei 2010 tot en met 15 december 2020 en (ii) vernietiging van de akte van 15 december 2020 voor zover daarin de onderbedelingsvordering is omgezet in een lening van de man aan de vrouw. In reconventie vordert de man verklaringen voor recht die neerkomen op een aanpassing en aanvulling van de notariële akte van 15 december 2020 en veroordeling van de vrouw tot nakoming van de aldus gewijzigde akte.

De rechtbank heeft in conventie bepaald dat de man een gebruiksvergoeding aan de vrouw dient te voldoen van € 54.000,-- over de periode van medio oktober 2016 tot en met 15 december 2020. De rechtbank heeft geoordeeld dat het vorderingsrecht met betrekking tot de gebruiksvergoeding over de periode vóór medio oktober 2016 is verjaard en dat de verjaring er niet aan in de weg staat dat de vrouw een beroep op verrekening doet. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van de man afgewezen.

In hoger beroep heeft het hof in conventie het vonnis vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding dient te voldoen over de periode van medio oktober 2016 tot en met 15 december 2020. Voor het overige heeft het hof zowel in conventie als in reconventie het vonnis bekrachtigd, met afwijzing van het in hoger beroep meer of anders gevorderde. Hiertoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen.

Partijen zaten in 2015 over en weer klem. De man kon wel de lasten van de woning blijven voldoen, maar had niet de financiële middelen om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan. Bij verkoop van de woning in 2015 aan een derde zouden beide partijen een opeisbare schuld aan de bank hebben en de vrouw was niet in staat om een dergelijke schuld te voldoen. Evenmin was zij in staat bij toedeling van de woning aan de man de onderbedelingsvordering van de man te betalen. Met het toedelen van de woning aan de man werd de onderbedelingsvordering pas opeisbaar bij levering van de onverdeelde helft van de vrouw van de woning aan de man en na ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. In die zin leek er voor de vrouw, die niet bijdroeg aan de lasten en kosten van de woning, geen direct belang om consequenties te verbinden aan het feit dat zij in de periode 2015-2020 niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld werd ontslagen, te meer omdat zij nog steeds niet in staat was de vordering van de man van € 55.250,-- te voldoen. Toen de man in 2020 meer ging verdienen en de financiële mogelijkheid had om uitvoering te geven aan het vonnis van 11 maart 2015 en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan, heeft hij hiertoe stappen ondernomen. (rov. 4.6)

Volgens vaste rechtspraak geldt de datum van de uitspraak waarin de rechter de verdeling heeft vastgesteld, als de datum van de verdeling. Als peilmoment voor de waardering van tot een gemeenschap behorende goederen geldt de datum van verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. De peildatum voor verdeling verandert niet door een opschortende voorwaarde als deze. Dit betekent dat het standpunt van de vrouw dat de eenvoudige gemeenschap pas is opgeheven op 15 december 2020, niet kan worden gevolgd. Ook overigens is er geen grond om af te wijken van de peildatum van 11 maart 2015. Het hof ziet evenmin aanleiding op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere peildatum te aanvaarden zoals door de vrouw betoogd. Het tijdsverloop tussen datum vonnis toedeling en de daadwerkelijke uitvoering hiervan levert hiertoe geen grond op. De man heeft zodra hij financieel daartoe in staat was stappen gezet om tot levering van de woning aan hem te komen, maar de vrouw weigerde haar medewerking. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw vanaf het moment dat de man alleen de woning bewoonde, meebetaalde aan de hypotheeklasten, de overige eigenaarslasten of de onderhoudskosten van de woning. De overige door de vrouw aangevoerde argumenten zijn eveneens onvoldoende om op grond van de redelijkheid en billijkheid tot aanpassing van de datum van verdeling te komen. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof evenmin aanleiding af te wijken van het gezag van gewijsde van het vonnis van 11 maart 2015. (rov. 4.7)

Met het vonnis van 11 maart 2015 is de gehele economische eigendom van de woning toen aan de man toegekomen. Het beroep van de vrouw op de art. 3:169 BW en 3:172 BW moet reeds daarom worden afgewezen. Dat geldt evenzo voor de stelling van de vrouw dat de man ongerechtvaardigd is verrijkt. Zo deze, eerst ter mondelinge behandeling in hoger beroep geponeerde stelling, als grief dient te worden beoordeeld, mist deze feitelijke grondslag. Een en ander betekent dat de beslissing van de rechtbank dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen over de periode medio oktober 2016 tot 15 december 2020 geen stand kan houden en zal worden vernietigd en dat grief 1 van de man slaagt. Het beroep van de man op rechtsverwerking en verjaring behoeft daardoor geen bespreking. Het betekent ook dat de grondslag van grief 2 van de man is komen te ontvallen en dat deze grief om die reden geen bespreking meer behoeft. (rov. 4.8)

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat het vonnis van 11 maart 2015 niet de mogelijkheid bood om de vordering van de man op de vrouw tot betaling van € 55.250,-- om te zetten in een geldlening. Het hof zal de beslissing van de rechtbank tot gedeeltelijke vernietiging van de notariële akte bekrachtigen om buiten twijfel te stellen dat deze onderdelen van de notariële akte tussen partijen geen werking hebben. De notariële akte heeft de aanspraken die de man aan het vonnis van 11 maart 2015 kan ontlenen niet gewijzigd. (rov. 4.11, 4.12 en 4.13).

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

Onderdeel I van het middel klaagt dat het hof onbesproken heeft gelaten het betoog van de vrouw dat het in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man aanspraak maakt op de volledige onderbedelingsvordering.

Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat het hof – niettegenstaande de afwijzing van de vorderingen van de man – heeft geoordeeld dat de man nog steeds aanspraak heeft op de onderbedelingsvordering.

Het hof heeft in rov. 4.7 verworpen het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid in verband met de peildatum voor verdeling en het gezag van gewijsde van het vonnis van 11 maart 2015. Het hof heeft echter geen kenbare aandacht besteed aan het betoog van de vrouw dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man in de omstandigheden van dit geval jegens de vrouw aanspraak maakt op onverminderde nakoming van de onderbedelingsvordering. In zoverre slaagt onderdeel I.

De overige klachten van onderdeel I behoeven geen behandeling. Dat geldt ook voor onderdeel III omdat dit geen zelfstandige betekenis heeft.

Onderdeel II kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

Het middel is gericht tegen rov. 4.8 en bestrijdt het oordeel van het hof dat het beroep van de man op rechtsverwerking en verjaring en zijn grief 2 geen bespreking behoeven vanwege het slagen van zijn grief 1. Het middel klaagt onder meer dat het hof heeft verzuimd te beslissen op grieven waarbij de man nog steeds belang had, althans dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de grieven van de man heeft gegeven.

Met grief 1 heeft de man onder meer betoogd dat de vrouw vanaf 11 maart 2015 geen recht heeft op een gebruiksvergoeding. Het hof is de man hierin gevolgd (rov. 4.8). Grief 2 van de man houdt in dat de rechtbank de hoogte van de gebruiksvergoeding onjuist heeft vastgesteld en ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw bevoegd is tot verrekening van haar verjaarde aanspraken op een gebruiksvergoeding over de periode van 1 mei 2010 tot medio oktober 2016 met haar schuld uit de onderbedelingsvordering van de man. Het hof heeft deze grief onbesproken gelaten op de grond dat daaraan de grondslag is ontvallen (rov. 4.8).

De klacht slaagt. Het oordeel van het hof dat aan grief 2 de grondslag is ontvallen is onbegrijpelijk omdat de man, ook na het oordeel van het hof dat de vrouw vanaf 11 maart 2015 geen recht heeft op een gebruiksvergoeding, belang had bij beoordeling van die grief, voor zover deze betrekking had op de bevoegdheid van de vrouw tot verrekening van de gebruiksvergoeding over de periode vanaf 1 mei 2010 tot 11 maart 2015. Als het hof grief 2 van de man aldus heeft uitgelegd dat deze slechts betrekking had op de periode vanaf 11 maart 2015, is die uitleg onbegrijpelijk.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2024;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 27 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?