HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03577
Datum 31 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 september 2023, nummer 21-001703-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van, kort gezegd, munitie en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van die munitie in de koelkast.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 19 maart 2018 te [plaats] munitie van categorie III, te weten 15 stuks randvuur kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
“Bewijsoverweging
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
Feiten
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 19 maart 2018 zijn toezichthouders van de gemeente samen met verbalisant [verbalisant 1] naar een bedrijfspand aan de [a-straat 1] te [plaats] gegaan naar aanleiding van een melding bij de gemeente [plaats] , inhoudende dat in dit pand mogelijk sprake was van illegale prostitutie. Toen de toezichthouders en verbalisant bij het pand kwamen, was het pand afgesloten en was niemand aanwezig. Na ongeveer een halfuur arriveerde een man (het hof begrijpt: verdachte) bij het pand, die de toegangsdeur met een sleutel opende. Daarbij werd de man aangesproken door de toezichthouders. Met toestemming van deze man – die opgaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972, wonende te [plaats] – betraden de toezichthouders, vergezeld van verbalisant [verbalisant 1] , het bedrijfspand.
Eenmaal binnen het bedrijfspand rees het vermoeden bij verbalisant [verbalisant 1] dat er sprake was van een bordeel. Via de toegangsdeur kwamen de toezichthouders en de verbalisant in een kleine hal terecht. Hierin waren een wc en de meterkast geplaatst. Via een tweede deur kwamen zij in een grotere ruimte. In deze ruimte zag verbalisant [verbalisant 1] dat er een scheidingswand was geplaatst met daarin vier rode deuren. Achter drie van deze deuren was een kleine ruimte gemaakt waarin een tweepersoonsbed stond. Van elk van deze ruimte was één wand rood geschilderd. Elke ruimte was nagenoeg op dezelfde wijze ingericht. In twee van de ruimtes zijn pakjes condooms aangetroffen en in één ruimte een tas met attributen die voor SM gebruikt worden.
In het voorportaal van deze grote ruimte was een stalen trap naar boven geplaatst. Op de verdiepingsvloer van de bovenruimte was een complete bar-inrichting geplaatst en een ruime zithoek met TV. In één ruimte beneden stond een massagetafel en geen bed. Verder stond achter in deze ruimte aan de rechterzijde een soort kast die met schuifpanelen afgesloten was. Nadat verbalisant een schuifpaneel had verschoven, zag hij in deze kast een grote hoeveelheid potten met teelaarde. Er stonden geen planten in deze potten. Aan het plafond van deze kast waren twee assimilatielampen aangebracht. Verder was er een afzuiginstallatie aangebracht die verder niet aangesloten was op een leiding naar buiten. De elektrische installatie was ook niet aangesloten op het stroomnet. Op basis hiervan heeft verbalisant [verbalisant 1] verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.
Kort daarna kwamen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter plaatse. Verbalisant [verbalisant 3] ging naar de eerste verdieping en zag hier een zitje met twee zitbanken, een salontafel en een televisie. Daarnaast zag hij een eettafel met meerdere stoelen en een bar met barkrukken. Achter deze bar zag verbalisant [verbalisant 3] een horecakoelkast staan met daarop de reclametekst ‘Pepsi’. Hij zag dat deze koelkast een doorzichtige deur had van glas en hij zag meerdere flesjes drinken in de koelkast staan. Verbalisant [verbalisant 3] zag vervolgens op de tweede plank van boven in de koelkast een opgerolde gele keukendoek liggen.
Omdat het verbalisant [verbalisant 3] ambtshalve bekend was dat verdovende middelen veelal gekoeld bewaard worden, en in het pand een in opbouw zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen, pakte hij de opgerolde keukendoek uit de koelkast en keek wat erin zat. Verbalisant [verbalisant 3] zag dat hierin een magazijn/patroonhouder zat die gevuld was met patronen die gelijkend waren op kaliber .22 patronen. Verbalisant [verbalisant 3] keek vervolgens om zich heen of hij een vuurwapen zag waar de patronen mogelijk bij konden horen. Vrijwel direct zag hij onder de balie een op een geweer gelijkend voorwerp staan. Dit stond open en bloot onder de balie waarna verbalisant [verbalisant 3] het geweer gepakt heeft. Verbalisant [verbalisant 3] zag toen op het geweer het merk ‘Lakefield’ staan met daarbij ‘Model 64B .22 CAL’. Hij zag dat er op de onderkant van het geweer een opening zat waar ruimte was voor een magazijn. Hij zag aan de vorm van het magazijn en de opening voor het magazijn in het geweer dat dit passend moest zijn. Toen verbalisant [verbalisant 3] vervolgens het magazijn paste op het geweer bleek dit inderdaad het geval.
Uit onderzoek bleek dat de vijftien aangetroffen kogelpatronen munitie zijn in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.
Bij de politie heeft verdachte verklaard dat zijn vrouw het bedrijfspand aan de [a-straat 1] te [plaats] huurt en dat de koelkast waarin de kogelpatronen zijn aangetroffen van hem en zijn vrouw zijn.
Ter terechtzitting van het hof op 25 augustus 2023 heeft verdachte verklaard dat zijn vrouw hem een paar dagen voor het weekend van 17 en 18 maart 2018 had verteld dat een kennis kogels had gebracht en deze in de koelkast zou neerleggen. Hij verklaarde voorts dat hij op vrijdag 16 maart 2018 in het pand is geweest en dat hij in de koelkast heeft gekeken. Hij zag toen dat er een geel doekje in de koelkast lag met daarin de kogels. Verdachte verklaarde dat hij wist dat de kogelpatronen pasten in het wapen dat onder de balie is aangetroffen.
Juridisch kader
Voor een veroordeling van het voorhanden hebben van munitie in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie is vereist dat de verdachte de munitie bewust aanwezig heeft gehad. Het gaat daarbij om een meerdere of mindere mate van bewustheid. Daarmee wordt bedoeld dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de munitie. Voorts vergt het aanwezig hebben van munitie dat een verdachte feitelijke macht over de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken.
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat verdachte enkele dagen voor 19 maart 2018 te horen heeft gekregen dat er kogelpatronen in zijn koelkast zouden worden neergelegd en dat verdachte ook daadwerkelijk heeft gezien dat de kogelpatronen in zijn koelkast lagen.
Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij aan een kennis had gevraagd om de kogelpatronen op te halen, maar nu hij op geen enkele wijze heeft vernomen of gecontroleerd dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd, was verdachte zich naar het oordeel van het hof ook op 19 maart 2018 nog bewust van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de munitie.
Daarnaast beschikte verdachte over de sleutel van het bedrijfspand en was de koelkast waarin de kogelpatronen zijn aangetroffen van hem en zijn vrouw. Hierdoor kon verdachte de feitelijke macht over de munitie uitoefenen.
Het hof acht aldus bewezen dat verdachte op 19 maart 2018 vijftien kogelpatronen voorhanden heeft gehad.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte verklaart als volgt:
Mijn vrouw had mij een paar dagen voor het weekend van 17 op 18 maart 2018 verteld dat een kennis, genaamd [betrokkene 1] , kogels had gebracht en dat hij deze in de koelkast in het pand zou neerleggen. De koelkast stond op de bovenverdieping van het pand achter een soort bar. (...) Het wapen had ik ook van [betrokkene 1] . Op vrijdag 16 maart 2018 ben ik in het pand geweest en heb ik in de koelkast gekeken. Ik zag een geel doekje. Dit was om het magazijn gewikkeld. Ik zag het magazijn direct toen ik het doekje had weggehaald. (...) De kogels die in het gele doekje zaten, pasten in het wapen dat onder de balie is aangetroffen. Ik heb [betrokkene 1] toen direct gebeld en hem gezegd dat hij het magazijn weg moest halen. [betrokkene 1] woonde toentertijd in [plaats] . Hij zei dat hij het zou ophalen. Het weekend van 17 op 18 maart 2018 ben ik niet in het pand geweest. Er zijn wel andere mensen geweest, want er zijn altijd wel mensen. Mijn vrouw is wel in het pand geweest in het weekend van 17 op 18 maart 2018, maar ik heb haar niet gevraagd of het magazijn weg was. Zelf heb ik ook niet gecontroleerd of [betrokkene 1] het magazijn had opgehaald. Ik heb er verder niet meer bij stilgestaan.
(...)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
Indien uw hof van oordeel is dat u dezelfde bewijsmiddelen moet gebruiken als het hof in zijn arrest van 7 september 2021 heeft gedaan, zou vrijspraak moeten volgen.
Ik verzoek u dan ook primair om mijn cliënt vrij te spreken.”
Voor een veroordeling wegens het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.Verder vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen. (Vgl. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504.)
Het hof heeft het volgende vastgesteld. Op 19 maart 2018 is bij een controle in een bedrijfspand, dat door de vrouw van de verdachte werd gehuurd, in een horecakoelkast een opgerolde gele keukenhanddoek aangetroffen. In die keukenhanddoek zat een magazijn/patroonhouder met daarin kogelpatronen. Vrijwel direct daarna is onder de balie een geweer aangetroffen. Het magazijn paste op dit geweer. De verdachte heeft verklaard dat de koelkast waarin de patronen zijn aangetroffen, van zijn vrouw en hem is. Een paar dagen voor het weekend van 17 en 18 maart 2018 had de vrouw van de verdachte aan hem verteld dat een kennis kogels had gebracht en in de koelkast zou neerleggen. Op 16 maart 2018 is de verdachte in het pand geweest en zag hij in de koelkast een geel doekje met daarin de kogels liggen. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat die patronen pasten in het wapen dat onder de balie is aangetroffen.
Aan de bewezenverklaring dat de verdachte op 19 maart 2018 vijftien kogelpatronen voorhanden heeft gehad, heeft het hof ten grondslag gelegd dat, zoals uit de onder 2.4.1 weergegeven vaststellingen volgt, de verdachte had gehoord dat er kogelpatronen in de koelkast zouden worden gelegd en hij die patronen kort voor 19 maart 2018 – namelijk op 16 maart 2018 – daadwerkelijk in de koelkast heeft gezien. Het hof heeft verder overwogen dat de enkele omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard dat hij een kennis had gevraagd om de kogelpatronen op te halen, niet aan die bewezenverklaring in de weg staat, omdat de verdachte niet heeft vernomen of gecontroleerd of dit daadwerkelijk is gebeurd. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat – vanwege het ontbreken van voldoende concrete aanwijzingen dat de munitie intussen was verwijderd uit de koelkast – de verdachte zich ervan bewust moet zijn geweest dat de munitie, net als op 16 maart 2018, ook op 19 maart 2018 nog in de koelkast (waarschijnlijk) aanwezig was. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
Het cassatiemiddel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zes weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.