HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04391
Datum 27 maart 2026
ARREST
In de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres],
advocaat: H. Boom,
tegen
HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD,
zetelende te Rotterdam,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: HHSK,
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/05/403379/ HA ZA 22-195/1747 van de rechtbank Gelderland van 31 augustus 2022 en 1 februari 2023;
b. de arresten in de zaak 200.326.727 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2024 en 3 september 2024.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof van 3 september 2024 beroep in cassatie ingesteld.HHSK heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiseres] mede door E.W.T. Kerckhoffs.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Tussen de rechtsvoorganger van HHSK en [eiseres] is in 2010 een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen, waarbij [eiseres] zich heeft verbonden een aflaatconstructie te ontwerpen en te realiseren met een capaciteit van 20 m3/s. De aflaatconstructie wordt de Aflaat Rotte-Eendragtspolder (hierna: de ARE) genoemd.
(ii) HHSK heeft in februari 2018 de capaciteit van de ARE getest. De uitkomst daarvan was dat de ARE een capaciteit had van 6,4 m3/s in plaats van de overeengekomen 20 m3/s.
(iii) HHSK heeft ter controle aan Deltares opdracht gegeven om een bureaustudie uit te voeren waarbij de capaciteit van de ARE zou worden geanalyseerd. Het definitieve rapport van deze bureaustudie heeft HHSK ontvangen op 1 juli 2019. Uit dit rapport blijkt dat Deltares de capaciteit op basis van de gegevens van de systeemtest uit 2018 heeft herberekend op een capaciteit van 7,4 m3/s. Deltares schat de capaciteit van de ARE bij hoog peil in de Rotte op 11 à 12 m3/s.
(iv) HHSK heeft op 16 augustus 2019 [eiseres] in kennis gesteld van de resultaten van het rapport van Deltares. Bij brief van 6 oktober 2020 heeft HHSK [eiseres] in gebreke gesteld.
HHSK vordert in dit geding onder meer dat [eiseres] wordt veroordeeld om gebreken aan de ARE binnen een jaar te herstellen.
De rechtbank heeft de vordering van HHSK afgewezen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en [eiseres] veroordeeld om binnen twee jaar het gebrek aan de ARE te herstellen op zodanige wijze dat een capaciteit van minimaal 20 m3/s wordt gehaald.
Het hof heeft daartoe onder meer overwogen dat ook als wordt uitgegaan van een oplevering van de ARE in december 2011, de onderhoudstermijn waarbinnen [eiseres] gehouden was het gebrek te herstellen doorliep tot december 2019, met als gevolg dat de melding op 16 augustus 2019 van HHSK aan [eiseres] binnen de onderhoudstermijn viel. (rov. 4.10-4.13)
Ten aanzien van het beroep van [eiseres] op de klachtplicht (art. 6:89 BW) heeft het hof als volgt overwogen:
“4.15. Ook het beroep dat [eiseres] doet op de klachtplicht van artikel 6:89 BW gaat niet op. HHSK heeft in februari 2018 de capaciteit van de ARE onder gecontroleerde omstandigheden getest. De uitkomst daarvan was dat de ARE een capaciteit had van 6,4 m3/s in plaats van de overeengekomen 20m3/s. Tussen partijen staat vast dat dit onderdeel was van een systeemtest en niet moet worden gezien als een [Site Acceptance Test]. Omdat de uitkomst van die test HHSK verbaasde en zij betwijfelde of die uitkomst juist was, heeft HHSK ter controle opdracht gegeven aan Deltares om een bureaustudie uit te voeren waarbij de capaciteit van de aflaatconstructie zou worden geanalyseerd. Het definitieve rapport van deze bureaustudie heeft HHSK ontvangen op 1 juli 2019. Uit dit rapport van Deltares blijkt dat Deltares de capaciteit op basis van de gegevens van de systeemtest uit 2018 heeft herberekend op een capaciteit van 7,4 m3/s. Deltares schat de capaciteit van de ARE bij hoog peil in de Rotte 11 á 12 m3/s. HHSK [heeft] de uitkomsten van het rapport van Deltares op 16 augustus 2019 aan [eiseres] medegedeeld. Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat HHSK voor het eerst per 1 juli 2019 duidelijk is geworden in welke mate de capaciteit van de ARE niet aan de Basisovereenkomst voldeed. Dat de systeemtest uit 2018 hiervoor al aanwijzingen bevatte, betekent niet dat HHSK toen [eiseres] al op de hoogte had moeten stellen. HHSK twijfelde zelf aan de uitkomst van de systeemtest met betrekking tot de ARE. Naar het oordeel van het hof mocht HHSK, voordat zij tot een ingrijpende stap als het melden van een gebrek bij [eiseres] jaren na ingebruikname van de ARE over zou ga[an], onder die omstandigheden eerst nader onderzoek laten uitvoeren. Dat dit nader onderzoek vervolgens meer dan een jaar duurde is op zichzelf onvoldoende om te kunnen oordelen dat de klachtplicht is geschonden. Dat [eiseres] daardoor in zijn belangen is geschaad, is onvoldoende aannemelijk geworden. Nadat HHSK het rapport van Deltares had ontvangen, heeft zij voldoende voortvarend [eiseres] van dat rapport op de hoogte gesteld en de te beperkte capaciteit van de ARE aangekaart in de e-mail van 16 augustus 2019.”
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof niet is ingegaan op de stellingen van [eiseres] (i) dat HHSK reeds in 2013 een test van de ARE heeft uitgevoerd waarbij door HHSK zelf is aangegeven dat een lagere capaciteit werd gehaald dan de vereiste 20 m3/s, wat HHSK in 2013 al aanleiding had moeten geven om nader onderzoek te doen en zo spoedig mogelijk bij [eiseres] te klagen over het vermeende gebrek; (ii) dat [eiseres] door het vanaf 2013 stilzitten van HHSK ernstig is benadeeld, omdat het gebrek een ontwerpfout is en [eiseres] voor het ontwerp een derde heeft gecontracteerd van wie de aansprakelijkheid inmiddels is komen te vervallen op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden; en (iii) dat vanwege de kenbaarheid van het gebrek voor HHSK in 2013 en het belang van [eiseres] bij een tijdige klacht, de aanspraken van HHSK geacht moeten worden te zijn vervallen. Dit zijn volgens het onderdeel essentiële stellingen.
Onderdeel 1.2 klaagt dat, als het hof impliciet zou hebben geoordeeld dat het geen acht op deze stellingen behoefde te slaan omdat [eiseres] deze stellingen eerst bij mondelinge behandeling in hoger beroep heeft ingenomen, het daarmee heeft miskend dat de tweeconclusieregel er niet aan in de weg staat dat een reeds eerder aangevoerd verweer nader wordt uitgewerkt. Althans is het oordeel van het hof dan onbegrijpelijk, omdat het geen inzicht geeft in zijn gedachtegang waarom het processueel niet mogelijk zou zijn geweest om deze stellingen in zijn oordeel te verdisconteren, aldus het onderdeel.
Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk de door onderdeel 1.1 genoemde, hiervoor in 3.1 vermelde, stellingen die [eiseres] voor het eerst bij mondelinge behandeling in hoger beroep heeft ingenomen niet aangemerkt als een nadere uitwerking van het eerder door [eiseres] gedane beroep op schending van de klachtplicht, maar als een nieuwe feitelijke grondslag van het beroep op de klachtplicht. Daarop stuiten de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten af.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HHSK begroot op € 2.897,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 27 maart 2026.