ECLI:NL:HR:2026:510

ECLI:NL:HR:2026:510

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 24/00588
Rechtsgebied Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:579

Samenvatting

Nationaliteitsrecht. Internationaal privaatrecht; erkenning afstamming volgens buitenlandse geboorteakte. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap ex art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap. Kind geboren uit polygaam huwelijk in Ghana. Erkenning Ghanese geboorteakte (art. 10:101 BW); bezit van staat (art. 1:209 BW); openbare orde (art. 10:101 leden 1 en 2 BW jo. art. 10:100 lid 1 sub c BW, art. 10:32 BW, HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 24/00588

Datum 27 maart 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: de Staat,

advocaat: S.M. Kingma,

tegen

[betrokkene],

wonende te [woonplaats], Ghana,

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: betrokkene,

advocaat: W.A. Jacobs.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/632272 HA RK 22-281 van de rechtbank Den Haag van 23 november 2023.

De Staat heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.

Betrokkene heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De advocaat van de Staat heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

De aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het incidentele cassatieberoep.

De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Betrokkene is op [geboortedatum] 1997 te [plaats], Ghana, geboren uit [naam van de vader] (hierna: de vader) en [naam van de moeder] (hierna: de moeder).

(ii) De vader en de moeder zijn op 4 juni 1995 te [plaats] met elkaar gehuwd, zo blijkt uit het Form of register of Customary Marriages, opgemaakt volgens de ‘Customary Marriage and Divorce (Registration) Law, 1985’.

(iii) De vader is tussen 21 april 1992 en 19 november 1997 ook gehuwd geweest met [naam van de eerdere vrouw] (hierna: de eerdere vrouw).

(iv) De vader is op 2 augustus 2021 overleden.

(v) Aan de vader was bij Koninklijk Besluit van 19 september 1988 de Nederlandse nationaliteit verleend.

(vi) Een ‘certified copy of entry in register of births’, uitgegeven op 27 januari 2022, vermeldt dat van betrokkene op 15 december 2010 een geboorteakte is opgemaakt waarin [naam van de vader], nationaliteit Nederlands, als de vader is opgenomen.

(vii) Betrokkene heeft op 3 februari 2022 een paspoort aangevraagd. Bij beschikking van 10 februari 2022 is de aanvraag niet in behandeling genomen. In de beslissing op bezwaar van 2 mei 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken het bezwaar tegen de beschikking ongegrond verklaard. In de overwegingen is als feit aangenomen dat de vader op 4 juni 1995 te [plaats], Ghana, is gehuwd met de moeder op basis van een customary marriage. Overwogen is dat hoewel dit een polygaam huwelijk was, dit naar Ghanees gewoonterecht een toegestaan huwelijk was. Verder is overwogen dat dit huwelijk in Nederland wegens strijd met de openbare orde naar Nederlands recht geen rechtsgevolgen had, zodat betrokkene het Nederlanderschap niet aan zijn vader kan ontlenen. De minister heeft op grond hiervan geconcludeerd dat betrokkene niet de Nederlandse nationaliteit bezit en daarom geen paspoort krijgt.

In deze procedure heeft betrokkene de rechtbank Den Haag verzocht om op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) vast te stellen dat hij vanaf zijn geboorte onafgebroken in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.

De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene het Nederlanderschap bezit. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Op grond van art. 3 lid 1 RWN is Nederlander het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is.

Geboren tijdens huwelijk? De rechtbank volgt verzoeker in zijn stelling dat hij tijdens het huwelijk van zijn ouders is geboren. Voldoende is aangetoond dat de ouders van betrokkene op 4 juni 1995 via een gewoonterechtelijke ceremonie zijn gehuwd. Vast staat dat de vader ten tijde van de geboorte van betrokkene ook was gehuwd met de eerdere vrouw. Naar Ghanees recht is een bigaam huwelijk een geldig huwelijk. Naar Ghanees recht is betrokkene dus het kind van de vader nu hij is geboren binnen het (bigame) huwelijk van zijn moeder met de vader.

Geboren uit huwelijk dat in Nederland wordt erkend? De vraag die vervolgens ter beantwoording voorligt, is of betrokkene is geboren uit een huwelijk van zijn moeder met de vader dat in Nederland wordt erkend. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Vast staat dat ten tijde van de geboorte van betrokkene de vader, die de Nederlandse nationaliteit had, naast zijn huwelijk met de moeder van verzoeker ook was gehuwd met de eerdere vrouw. Op grond van art. 10:32, aanhef en onder a, BW komt het huwelijk van de moeder van betrokkene met de vader wegens het bigame karakter daarvan in Nederland niet voor erkenning in aanmerking. Daarmee kan ook de naar Ghanees recht ontstane familierechtelijke betrekking tussen betrokkene en zijn vader niet in Nederland worden erkend. Dit betekent dat betrokkene ten tijde van zijn geboorte geen kind is geworden van een Nederlandse vader en toentertijd niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.

Erkenning nadien? Over een erkenning nadien of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is niets gesteld. De rechtbank moet ervan uitgaan dat nadien geen erkenning heeft plaatsgevonden of het vaderschap gerechtelijk is vastgesteld.

Bezit van staat? Betrokkene beroept zich op bezit van staat dat volgt uit zijn (Ghanese) geboorteakte van 15 december 2010. In dit verband heeft de rechtbank overwogen:

“De rechtbank volgt de IND niet in het betoog dat het beroep op het rechtsfiguur bezit van staat onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer bevat, nu het een verzoek om vaststelling van Nederlanderschap van [betrokkene] betreft en in dit kader het bezit van staat wordt ingeroepen voor de vaststelling van de afstammingsrelatie van [betrokkene] met zijn vader die de Nederlandse nationaliteit heeft.

De rechtbank komt daarmee toe aan de beoordeling van deze grondslag van het verzoek.

Vooreerst is de vraag aan de orde of de geboorteakte voor erkenning in Nederland in aanmerking komt (artikel 10:101 BW). De geboorteakte van [betrokkene] is veertien jaar na zijn geboorte opgemaakt. Op grond van section 8 van de Registration of Births and Deaths Act 1965 is registratie van een geboorte meer dan 12 maanden na de geboorte mogelijk na schriftelijke instemming van de Registrar of Births and Deaths en na betaling van een fee. De akte is opgesteld door de Registrar overeenkomstig de plaatselijke voorschriften. Gesteld noch gebleken is dat hiervan geen sprake is. Dit betekent dat de geboorteakte van [betrokkene] in Nederland voor erkenning in aanmerking komt.

Het beroep op bezit van staat wordt getoetst op basis van artikel 1:209 BW.

Artikel 1:209 BW bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van zogeheten bezit van staat in de zin van deze bepaling indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat de rechtszekerheid en de bescherming van het belang van het kind die bezit van staat als bedoeld in art. 1:209 BW beoogt te bieden, zich mede uitstrekken tot een buitenlandse geboorteakte waaraan een gebrek kleeft en kan ook worden tegengeworpen aan de autoriteiten belast met de uitvoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Een geslaagd beroep op het bezit van staat betekent dat vanaf het moment van geboorte het kind in een familierechtelijke betrekking tot de vader staat, ook al is de geboorteakte later opgemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene] het bewijs heeft geleverd dat hij vanaf zijn geboorte af aan zich in het maatschappelijk verkeer als kind van [de vader] heeft gedragen. Dit blijkt uit de door [betrokkene] overgelegde verklaringen van familieleden en van zijn school dat in de administratie [de vader] als zijn vader was opgenomen en de rapporten vanaf 2004 waaruit volgt dat [betrokkene] de achternaam van [de vader] draagt, de Health Chart uit 1997 waarin [betrokkene] is vermeld met de achternaam [naam betrokkene] en waarin [de vader] als zijn vader is opgenomen, de foto’s van het gezinsleven, en de overgelegde necrologie waarin [betrokkene] als zoon van [de vader] wordt genoemd.

Uit dit alles volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van bezit van staat en dat de afstammingsrelatie tussen [betrokkene] en [de vader] zoals volgt uit de geboorteakte niet kan worden betwist, in die zin dat [betrokkene] afstamt van [de vader] die de Nederlandse nationaliteit bezit.

Slotsom

De rechtbank komt tot het oordeel dat [betrokkene] door afstamming het Nederlanderschap heeft verkregen zodat zijn verzoek wordt toegewezen.”

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

Volgens onderdeel 3 van het middel heeft de rechtbank onder meer miskend dat de openbare orde in de weg staat aan erkenning van de in de Ghanese geboorteakte opgenomen naar Ghanees recht ontstane familierechtelijke betrekking dat de vader de vader is van verzoeker. Het gaat immers om een (ten tijde van de geboorte ontstane) familierechtelijke betrekking die voortvloeit uit een huwelijk dat door het bigame karakter daarvan in Nederland wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde (art. 10:32 BW) niet voor erkenning in aanmerking komt. Dit maakt dat ook de familierechtelijke betrekking niet kan worden erkend. De rechtbank diende (ook ambtshalve) ingevolge art. 10:100 lid 1, aanhef en onder c, BW in verbinding met art. 10:101 lid 1 BW te toetsen aan de openbare orde. Rechtens onjuist is het oordeel van de rechtbank dat de rechtszekerheid en de bescherming van het belang van het kind die bezit van staat als bedoeld in art. 1:209 BW beoogt te bieden, zich mede uitstrekt tot een buitenlandse geboorteakte waaraan een gebrek kleeft en ook kan worden tegengeworpen aan de autoriteiten belast met de uitvoering van de RWN voor zover de rechtbank onder ‘gebrek’ ook heeft begrepen een kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde, aldus het onderdeel.

Art. 1:209 BW geeft een regeling voor het geval dat de staat volgens de geboorteakte afwijkt van de staat volgens de wet maar wel overeenstemt met de staat die het kind bezit. De bescherming die art. 1:209 BW beoogt te bieden, strekt zich in beginsel mede uit tot aktes die gebrekkig zijn als gevolg van de nietigheid van de daarin vastgelegde rechtshandeling. Dit geldt ook indien het gebrek in een buitenlandse geboorteakte erin is gelegen dat de daarin vastgelegde erkenning van het kind door een gehuwde man nietig is op grond van schending van het (nadien door de wetgever geschrapte) erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen (oud). In dat geval komt de bescherming die art. 1:209 BW beoogt te bieden, niet in strijd met de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, aanhef en onder c, BW.

Art. 1:209 BW biedt evenwel geen bescherming indien het gaat om een buitenlandse geboorteakte waarin is neergelegd het rechtsfeit van een door de geboorte van het kind tot stand gekomen familierechtelijke betrekking die voortvloeit uit een huwelijk, voor zover dat huwelijk door het polygame karakter ervan in Nederland wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde (art. 10:32 BW) niet voor erkenning in aanmerking komt.

Indien een buitenslands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij een familierechtelijke betrekking is vastgesteld of gewijzigd, voortvloeit uit een buiten Nederland gesloten huwelijk waaraan erkenning wordt onthouden wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde in de zin van art. 10:32 BW, stuit (ook) de erkenning van dat rechtsfeit of die rechtshandeling af op de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, aanhef en onder c, BW.

Zoals de Hoge Raad eerder heeft beslist, staat het stelsel van de RWN eraan in de weg dat een kind dat is geboren uit een ten tijde van zijn geboorte polygaam huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen, ingevolge art. 3 lid 1 RWN uitsluitend op grond van zijn door dat huwelijk bepaalde afstamming op enig tijdstip van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt. Dit wordt niet anders door een beroep op art. 1:209 BW.

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.3 is overwogen, slaagt het onderdeel.

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer klachten van het middel in het principale beroep slagen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat deze voorwaarde is vervuld, zodat het middel in het incidentele beroep dient te worden behandeld.

De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 november 2023;

- wijst het geding terug naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing;

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 27 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?