HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VIERDE KAMER
Nummer 25/03569
Datum 27 maart 2026
BESLISSING
in de zaak van
[verzoeker] te [plaats] (hierna: verzoeker)
betreffende het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad.
1. De procedure
Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaken die bij de belastingkamer van de Hoge Raad zijn ingeschreven onder nummers 24/00705 en 24/00708. Bij bericht van 25 september 2025 is aan verzoeker meegedeeld dat op 3 oktober 2025 in de hiervoor genoemde zaken uitspraak zal worden gedaan. Tevens is daarbij meegedeeld dat de beslissing wordt genomen door de leden van de Hoge Raad J.A.R. van Eijsden, M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij.
Bij bericht van 2 oktober 2025 heeft verzoeker de wraking verzocht van de hiervoor in 1.1 vermelde raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij. Het wrakingsverzoek is bij de Hoge Raad ingeschreven onder nummer 25/03569.
De twee leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, hebben meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten en dat zij afzien van de mogelijkheid te worden gehoord.
Bij op 2 december 2025 ingekomen bericht heeft verzoeker de wraking verzocht van de leden V. van den Brink en F.J.P. Lock van de wrakingskamer. Bij beslissing van 19 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1974)) heeft een andere wrakingskamer dat verzoek buiten behandeling gesteld en bepaald dat een volgend verzoek om wraking in de zaken met nummers 24/00705, 24/00708 en 25/03569 niet in behandeling wordt genomen.
Bij brief van 22 januari 2026 is verzoeker uitgenodigd voor een mondelinge behandeling van het hiervoor in 1.2 genoemde wrakingsverzoek, op 10 maart 2026. Bij brief van 9 maart heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat de zitting van 10 maart 2026 ‘onwettig’ is. Verzoeker is niet ter zitting verschenen.
De advocaat-generaal W.L. Valk heeft meegedeeld af te zien van het nemen van een conclusie.
2. Beoordeling van het wrakingsverzoek
Op grond van art. 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge art. 29 AWR is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.
Bij de beoordeling van het verzoek tot wraking moet worden vooropgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Verzoeker legt in de kern aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek is gericht eerder hebben beslist in een andere zaak waarin de Hoge Raad verzoeker – naar zijn mening ten onrechte – niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn cassatieberoep.
Het enkele feit dat rechters eerder een beslissing hebben gegeven ten aanzien van een procespartij brengt niet mee dat deze rechters jegens deze procespartij een vooringenomenheid koesteren, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan in dit geval een uitzondering op dat uitgangspunt geldt. Het verzoek is dus ongegrond en zal worden afgewezen.
3. Beslissing
De Hoge Raad wijst het verzoek om wraking van M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij af.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F.J.P. Lock en G.C. Makkink, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier C.E. Cornet, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.