HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/04801
Datum 27 maart 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel van 17 december 2025, nr. ZWO 25/3401, waarin het verzoek van belanghebbende om een voorlopige voorziening is afgewezen.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Op grond van artikel 28, lid 4, letter c, AWR, in samenhang gelezen met artikel 8:84, lid 2, letter c, Awb, kan geen beroep in cassatie worden ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank die strekt tot afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.