HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04262
Datum 17 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2024, nr. BK-24/16, op het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/5968) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: het dagelijks bestuur), vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 30 mei 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Het dagelijks bestuur heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
[Y] B.V. (hierna: [Y] ) heeft als gestelde gemachtigde van belanghebbende een hogerberoepschrift van 9 januari 2024 ingediend tegen de uitspraak van de Rechtbank. Bij het hogerberoepschrift heeft [Y] een als volmacht aangeduid stuk van 28 februari 2022 overgelegd. In dat stuk is vermeld dat belanghebbende aan medewerkers van [Y] volmacht verleent om hem “te vertegenwoordigen in alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(-en)”, waaronder het “indienen en desgewenst intrekken van bezwaar, (hoger)beroep of cassatie”.
Het Hof heeft [Y] meegedeeld dat aan het hoger beroep een herstelbaar verzuim kleeft betreffende de machtiging. [Y] is daarbij in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door een recente machtiging over te leggen. Het Hof heeft die gelegenheid vervolgens nogmaals geboden nadat het Hof ter zitting zijn beweegredenen voor het verlangen van de machtiging heeft uiteengezet. Bij die gelegenheid is [Y] erop gewezen dat niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep kan volgen wanneer zij van die gelegenheid geen gebruik maakt.
[Y] heeft vervolgens binnen de daartoe gestelde termijn gereageerd. Zij heeft een op 18 maart 2024 gedateerde, ondertekende machtiging op naam van belanghebbende ingediend. Daarin worden medewerkers van [A] gemachtigd om belanghebbende onder meer te vertegenwoordigen en namens hem in rechte op te treden “omtrent de WOZ-beschikking 2024”.
3. De oordelen van het Hof
Het Hof heeft overwogen dat het gerede twijfel heeft aan de bevoegdheid van [Y] om belanghebbende in hoger beroep te vertegenwoordigen. Die twijfel baseert het Hof op het tijdsverloop tussen het moment waarop de machtiging is verleend en het moment waarop het hoger beroep is ingesteld en het feit dat het een doorlopende en in algemene termen geformuleerde volmacht betreft. Het Hof merkt daarbij op dat het periodieke karakter van WOZ-beschikkingen en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen in combinatie met de vaste datum van bekendmaking daarvan en de mogelijkheid om op basis van artikel 40 van de Wet waardering onroerende zaken gegevens op te vragen, de kans vergroot dat een gemachtigde met een algemene, doorlopende machtiging rechtsmiddelen aanwendt zonder dat een belastingplichtige kennis draagt van en instemt met het aanwenden van het rechtsmiddel.
Wat betreft de hiervoor in 2.3 genoemde machtiging heeft het Hof overwogen dat die wel recent is, maar specifiek ziet op aangelegenheden die betrekking hebben op de WOZ-beschikking voor een later kalenderjaar.
Omdat geen gevolg is gegeven aan het verzoek van het Hof een recente machtiging te verstrekken en [Y] is gewezen op het mogelijke gevolg daarvan, namelijk niet-ontvankelijkheid, heeft het Hof het door [Y] ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
4. Voorafgaande overwegingen
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Voorafgaand aan de beoordeling van het middel geeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over vertegenwoordigingsbevoegdheid in het bestuursprocesrecht.
Op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen.
Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Hij wordt daarin niet beperkt door de wijze waarop een rechter in een vorige instantie de bevoegdheid van artikel 8:24, lid 2, Awb heeft gebruikt, noch door de wijze waarop die rechter een aan hem overgelegde schriftelijke machtiging heeft beoordeeld.
De hiervoor in 4.3.1 bedoelde bevoegdheid van de bestuursrechter houdt onder meer in dat hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag eveneens vragen om een machtiging die is gegeven na de bestreden uitspraak. Ook mag hij om een machtiging vragen die specifiek ziet op de procedure die zich afspeelt voor zijn gerecht.
Voor het opvragen van een machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan.
De Hoge Raad is in zoverre teruggekomen van zijn arrest van 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat de bepalingen van Titel 3 van Boek 3 BW weliswaar op grond van artikel 3:79 BW buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing zijn, maar dat dit slechts geldt voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. In de parlementaire toelichting bij Boek 3 BW is in verband met dit voorbehoud onder meer opgemerkt dat men met overeenkomstige toepassing van (onder meer) Titel 3 van Boek 3 BW op procesrechtelijke rechtshandelingen uitermate voorzichtig dient te zijn.
Om te kunnen beoordelen of een schriftelijke machtiging is ondertekend door de rechtzoekende op wiens naam zij is gesteld, en dus kan dienen als bewijs van volmacht, mag de bestuursrechter binnen een door hem te stellen redelijke termijn om legitimatie van deze persoon vragen.
De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever vraagt, noch waarom hij de hiervoor in 4.3.1 bedoelde eisen stelt.
Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet een (nieuwe) machtiging als hiervoor in 4.3.2 bedoeld overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, of indien binnen een dergelijke termijn geen legitimatie als hiervoor in 4.4 bedoeld plaatsvindt van degene op wiens naam het beroep is ingesteld, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb. De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.
Op grond van de schakelbepalingen van de artikelen 6:24 en 8:108, lid 1, Awb en artikel 29 AWR geldt wat hiervoor in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen eveneens in hoger beroep en cassatie. Het geldt ook in bezwaar, aangezien artikel 6:6 Awb eveneens geldt voor de bezwaarprocedure. Daarbij verdient opmerking dat in de bezwaarprocedure wel een verschil optreedt doordat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om een schriftelijke machtiging te vragen is geregeld in artikel 2:1, lid 3, Awb, waarin geen uitzondering is gemaakt voor het geval de gemachtigde advocaat is.
5. Beoordeling van het middel
Het middel betoogt in de eerste plaats dat er geen grond was voor het Hof om een nieuwe machtiging te vragen. Verder voert het middel aan dat het Hof genoegen had moeten nemen met de hiervoor in 2.3 genoemde machtiging.
[Y] is door het Hof om een machtiging van de rechtzoekende gevraagd die is gegeven na de uitspraak van de Rechtbank. Zoals hiervoor in 4.3.2 is overwogen, is een rechter bevoegd een machtiging te vragen die dateert van na de bestreden uitspraak. Het middel faalt daarom voor zover het betoogt dat het Hof niet bevoegd was een nieuwe machtiging te vragen.
Het middel faalt eveneens voor het overige. Het oordeel van het Hof dat het verzuim niet is hersteld met het overleggen van een machtiging die betrekking heeft op een WOZ-beschikking van een later jaar, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is verder niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
6. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.