HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03075
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2024, nr. BK-ARN 22/1851, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 21/4685) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Hoogheemraadschap Utrecht, vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] in [Z] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 425.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd.
Belanghebbende heeft in bezwaar verzocht om toezending van de indexeringspercentages van de vergelijkingsobjecten en de onderbouwingen daarvan.
3. De oordelen van het Hof
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de indexeringspercentages en de onderbouwingen daarvan niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ vallen. De indexeringspercentages zijn rekenkundige uitkomsten van de taxatiesoftware waaraan geen keuzes, aannames of gegevens ten grondslag liggen anders dan de in het kader van de permanente marktanalyse geselecteerde en geanalyseerde verkooptransacties van referentiewoningen. De voor een bepaalde referentiewoning gehanteerde prijscorrectie blijkt uit de in het taxatieverslag opgenomen verkoopprijs en vastgestelde WOZ-waarde van die referentiewoning, aldus het Hof. Van een schending van de toezendplicht als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is volgens het Hof dus geen sprake.
4. Beoordeling van de middelen
Het tweede middel is gericht tegen de hiervoor weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel heeft het Hof in zijn uitspraak, en in zijn algemeenheid, ten onrechte geoordeeld dat de gehanteerde indexeringspercentages en de onderbouwing daarvan niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ vallen.
In rechtsoverweging 5.16.10 van zijn arrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297 (hierna: het arrest van 27 februari 2026) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als de heffingsambtenaar de verkoopprijs van een door hem bij de waardevaststelling gebruikt vergelijkingsobject, na eventuele andere correcties, heeft herrekend naar een waarde op de peildatum, de bij die herrekening door hem gebruikte indexeringsfactor een gegeven is dat aan die waardevaststelling ten grondslag ligt. Indien voldoende specifiek om verstrekking hiervan is gevraagd, volgt uit rechtsoverweging 5.2 van het arrest van 27 februari 2026 dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, een afschrift van de hiervoor bedoelde indexeringsfactor dient te verstrekken.
De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 5.16.10 van het arrest van 27 februari 2026 ook geoordeeld dat artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet van toepassing is op de gegevens waarop de gebruikte indexeringsfactor is gebaseerd.
Voor zover het middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de onderbouwing van de gehanteerde indexeringspercentages niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ valt, faalt het, gelet op wat hiervoor in 4.2.2 is overwogen.
Voor zover het middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de gehanteerde indexeringspercentages niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ vallen, is het, gelet op wat hiervoor in 4.2.1 is overwogen, terecht voorgesteld.
Het middel kan echter niet tot cassatie leiden. Uit het proces-verbaal van de zitting voor het Hof blijkt dat belanghebbende tijdens die zitting heeft verklaard dat de heffingsambtenaar de gebruikte indexeringspercentages in bezwaar heeft verstrekt. Het Hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat van een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ op het punt van de gehanteerde indexeringspercentages geen sprake is, wat er zij van de daartoe door het Hof gebruikte gronden.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.