ECLI:NL:HR:2026:568

ECLI:NL:HR:2026:568

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 25/00045
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:904
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:3749

Samenvatting

Overdrachtsbelasting; art. 15, lid 1, letter b, Wet op belastingen van rechtsverkeer; art. 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer; overdracht tussen een BV van vader en een BV van zijn zonen, betekenis van de doorkijkarresten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/00045

Datum 10 april 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 november 2024, nrs. 23/50 en 23/51, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/8214 en 20/8216) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door P.F.H. Heynen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 29 augustus 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten in cassatie

[A] (hierna: vader) hield op 1 april 2014 middellijk, via [E] B.V., alle aandelen in [B] B.V. (hierna: [B] ). [B] exploiteerde tot 1 april 2014 twee hotels. Zij is ook eigenaar van de hotelpanden.

Belanghebbende heeft op 1 april 2014 de hotelonderneming van [B] overgenomen, met uitzondering van de hotelpanden.

De aandelen van belanghebbende zijn gecertificeerd. Op 1 april 2014 werd van de certificaten van aandelen in belanghebbende (hierna: de certificaten) 10 procent gehouden door [B] . 45 procent van de certificaten werd toen gehouden door een BV waarvan alle aandelen werden gehouden door een zoon van vader (hierna: zoon 1) en 45 procent door een BV waarvan alle aandelen werden gehouden door een andere zoon van vader (hierna: zoon 2). De certificaten werden toen dus middellijk voor 10 procent door vader gehouden en – eveneens middellijk – voor 45 procent door ieder van de zonen.

Op 13 juni 2019 leverde [B] 5 procent van de certificaten aan de hiervoor in 2.3 bedoelde BV van zoon 1, en 5 procent van de certificaten aan de hiervoor in 2.3 bedoelde BV van zoon 2. Daarna heeft belanghebbende op diezelfde dag alle aandelen in [B] verkregen. [B] was op dat moment een onroerendezaaklichaam, dat wil zeggen een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, lid 1, letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet BRV).

Door de hiervoor in 2.2 en 2.4 beschreven transacties tezamen nam het middellijke belang dat vader in de hotelonderneming en de hotelpanden had een einde, en hebben zoon 1 en zoon 2 middellijk het belang daarin verkregen, ieder voor de helft.

Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van de aandelen in [B] aangifte gedaan voor de overdrachtsbelasting, en daarbij het standpunt ingenomen dat deze verkrijging is vrijgesteld op grond van artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet BRV (hierna: de vrijstelling). De Inspecteur is het niet eens met dat standpunt, omdat volgens hem geen sprake is van een vervreemder en verkrijger die voldoen aan de vereisten voor deze vrijstelling (voor zover hier van belang: een ouder en een of meer kinderen). De Inspecteur heeft in verband daarmee de in deze procedure bestreden naheffingsaanslag opgelegd.

3. De oordelen van het Hof

Voor het Hof was onder meer in geschil of de vrijstelling in dit geval van toepassing is.

Naar het oordeel van het Hof is de vrijstelling niet van toepassing omdat niet is voldaan aan het wettelijke vereiste dat sprake is van een verkrijging door een of meer kinderen van een ondernemer. De aandelen in [B] , die fictieve onroerende zaken zijn in de zin van artikel 4, lid 1, van de Wet BRV, zijn namelijk niet verkregen door zoon 1 en zoon 2 maar door belanghebbende, een vennootschap, en daarnaast zijn die aandelen niet vervreemd door vader maar door [E] B.V. De zogenoemde doorkijkarresten waarop belanghebbende zich beroept, bieden naar het oordeel van het Hof geen aanknopingspunt voor het in zijn geheel wegdenken van alle rechtspersonen die bij de transactie zijn betrokken.

4. Beoordeling van het middel

Het middel richt zich tegen het hiervoor in 3.2 vermelde oordeel van het Hof. Het betoogt dat het Hof de doorkijkarresten te strikt heeft toegepast. Volgens het middel is hier sprake van een gefaseerde bedrijfsoverdracht tussen vader en de zonen, en dient door de rechtspersonen te worden heen gekeken.

Zoals volgt uit de formulering van artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet BRV, is de vrijstelling alleen van toepassing indien sprake is van een verkrijging door – voor zover hier van belang – kinderen van een ondernemer. Dat het hierbij gaat om transacties tussen natuurlijke personen volgt ook uit de bedoeling van de wetgever. Die wilde met deze vrijstelling bedrijfsoverdrachten door een ondernemer aan zijn als opvolger(s) beoogde (klein)kinderen en hun echtgenoten tijdens het leven van die ondernemer vergemakkelijken, om te vermijden dat ondernemers de bedrijfsopvolging uit fiscale overwegingen zouden uitstellen tot hun overlijden, in welk geval het risico bestaat dat het ondernemingsvermogen wordt versnipperd als gevolg van een beroep op de legitieme portie. Het Hof heeft dan ook terecht aangenomen dat de vrijstelling niet kan worden toegepast in een geval als dit, waarin de verkrijgers BV’s zijn.

De hiervoor in 3.2 bedoelde doorkijkarresten brengen niet mee dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet BRV in een dergelijk geval toch kan worden toegepast als het indirect gaat om een bedrijfsopvolging tussen ouder en kind. Die arresten brengen slechts mee dat bij verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam als bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Wet BRV, een in artikel 15, lid 1, van de Wet BRV voorziene vrijstelling van overdrachtsbelasting, gelet op de strekking van artikel 4 van die wet, niet kan worden geweigerd indien de verkrijging van een onroerende zaak van dat lichaam zelf buiten de heffing van overdrachtsbelasting zou zijn gebleven vanwege de toepassing van diezelfde vrijstelling. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor, aangezien bij een verkrijging door belanghebbende van de onroerende zaken van [B] de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet BRV ook niet van toepassing zou zijn. Ook in dat geval zou namelijk geen sprake zijn van een overdracht door een ondernemer aan – voor zover hier van belang – een kind van hem. De doorkijkarresten hebben aldus geen betrekking op de persoon van de overdrager of de verkrijger, maar zien alleen op het verkregen object (aandelen in een onroerendezaaklichaam in plaats van een ‘echte’ onroerende zaak).

De gedachte die aan de doorkijkarresten ten grondslag ligt, gaat niet zo ver dat voor de heffing van overdrachtsbelasting in algemene zin, ook buiten de specifieke regeling van artikel 4 van de Wet BRV, kan worden uitgegaan van fiscale transparantie van rechtspersonen waarin een natuurlijke persoon middellijk of onmiddellijk een voldoende groot belang heeft. Aangezien de Wet op belastingen van rechtsverkeer voor de heffing van overdrachtsbelasting in beginsel aanknoopt bij de civielrechtelijke vorm van de relevante rechtshandelingen, ligt het binnen het stelsel van die wet op de weg van de wetgever om (i) in de gevallen waarin hij dat nodig vindt te voorzien in enige vorm van fiscale transparantie, die afwijkt van de civielrechtelijke zelfstandigheid van rechtspersonen, en (ii) om de voorwaarden te stellen waaronder een dergelijke transparantie kan worden aangenomen.

Het middel faalt daarom.

5. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NDFR Nieuws 2026/559 Viditax (FutD) 2026041002
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?