ECLI:NL:HR:2026:573

ECLI:NL:HR:2026:573

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 24/01102
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie

Samenvatting

Omzetbelasting; art. 9, lid 2, letter a, Wet OB; post a.1, van Tabel I bij de Wet OB; punt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006; levensmiddelen voor menselijke consumptie; magische truffels; rechtszekerheidsbeginsel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/01102

Datum 10 april 2026

ARREST

in de zaak van

V.O.F. [X] (hierna: belanghebbende)

tegen

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2024, nr. 22/454, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/5316) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.

Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 6 mei 2024 verzocht om, indien de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep wordt overschreden, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van die termijn. De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek. Aangezien deze reactie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2. Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.

3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 6 mei 2024 verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.

In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 22 maart 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met minder dan zes maanden. Het financiële belang bij deze procedure bedraagt meer dan € 1.000. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.

4. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.

In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.

Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500, en

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041020
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?