HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02723
Datum 10 april 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/19/151790 / FA RK 25-963 van de rechtbank Noord-Nederland van 19 mei 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank van Noord-Nederland van 19 mei 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de verleende zorgmachtiging geldt tot en met 17 mei 2026, en tot afdoening door de Hoge Raad door te bepalen dat de verleende zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden, tot en met uiterlijk 19 november 2025.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van 17 mei 2024 heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 17 mei 2025 (hierna: de voorgaande zorgmachtiging).
(ii) Bij verzoekschrift van 28 april 2025 heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
(iii) De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 mei 2025.
(iv) Bij beschikking van 19 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend, en bepaald dat deze tot en met 17 mei 2026 geldt.
3. Beoordeling van het middel
Het middel klaagt dat de voorgaande zorgmachtiging was verleend tot en met 17 mei 2025 en dat na het verstrijken van de geldigheidsduur die zorgmachtiging was vervallen. De rechtbank kon om die reden op 19 mei 2025 geen aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden verlenen, maar slechts een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden.
Deze klacht slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.8.
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Omdat de zorgmachtiging niet aansloot op een eerdere zorgmachtiging in de zin van art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, kon de rechtbank slechts een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden, op de voet van art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz.
Anders dan het middel bepleit, is er geen grond voor aftrek van de twee dagen dat betrokkene zonder geldige zorgmachtiging was opgenomen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.10).
Gelet op het voorgaande zal de Hoge Raad de duur van de verleende zorgmachtiging beperken tot zes maanden, dus tot en met 19 november 2025.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 19 mei 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 17 mei 2026;
- bepaalt dat de zorgmachtiging geldt tot en met 19 november 2025.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 10 april 2026.