HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01836 bis
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 maart 2024, nr. 23/00147, nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om nadere gegevens te verstrekken.
1. De loop van het geding in cassatie tot dusver
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:92 (hierna: het arrest van 23 januari 2026), wordt verwezen naar dat arrest.
Bij het arrest van 23 januari 2026 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven en dat de Hoge Raad de zaak zal afdoen. Daarbij heeft de Hoge Raad beslist dat de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep wordt vastgesteld op € 934 en de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van hoger beroep op € 1.868.
De Hoge Raad heeft, in onderdeel 4 (Proceskosten) van het arrest van 23 januari 2026, verder beslist dat de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De Hoge Raad is gebleken dat daarbij niet ook de Staatssecretaris is aangewezen. Dat wordt in dit arrest hersteld.
2. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure
Alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, heeft de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft bij bericht van 29 januari 2026 van die gelegenheid gebruikgemaakt. De Staat heeft daarop schriftelijk gereageerd.
De Hoge Raad slaat geen acht op het nadien door belanghebbende ingediende stuk.
Belanghebbende heeft zijn bericht van 29 januari 2026 beperkt tot – samengevat – het betoog dat de Hoge Raad met het arrest van 17 januari 2025 over de uitleg en toepassing van artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) het Unierecht heeft geschonden.
Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in zijn bericht van 29 januari 2026, heeft belanghebbende geen nadere gegevens verstrekt ter voldoening aan de op hem rustende last om te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad zal daarom ervan uitgaan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure niet is aan te merken als zo’n bijzonder geval. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van artikel 19a van de Wet.
In onderdeel 4 van het arrest van 23 januari 2026 is vermeld dat de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Aangezien echter niet alleen de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), maar ook de Inspecteur wordt veroordeeld tot het vergoeden van een hoger bedrag aan proceskosten voor het geding voor de Rechtbank dan waartoe de Rechtbank hen had veroordeeld, moeten de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) en de Staatssecretaris samen de kosten van het geding voor het Hof en die van het geding in cassatie dragen.
In onderdeel 4 van het arrest van 23 januari 2026 is verder vermeld dat voor de kosten van het geding in cassatie wordt uitgegaan van 1 punt (beroepschrift in cassatie). Dat uitgangspunt is niet juist. Belanghebbende heeft in cassatie drie proceshandelingen verricht, te weten het indienen van het beroepschrift in cassatie, het indienen van de conclusie van repliek, en de verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken.
Bij de berekening van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure gaat de Hoge Raad dan ook van het volgende uit: (i) drie proceshandelingen (beroepschrift in cassatie, conclusie van repliek, en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken) en daarmee van 4,5 punt;(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie;(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht; (iv) de vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 19a, lid 2, letter b, van de Wet, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente) worden vernietigd of gewijzigd. Dit een en ander komt neer op een proceskostenvergoeding van € 421.
Aangezien het Hof de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep en de Staat daartegen geen beroep in cassatie heeft ingesteld, zal de Hoge Raad de uitspraak van het Hof in zoverre in stand laten.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voor zover die strekt tot betaling door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) van een bedrag van € 1.000 aan belanghebbende als vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarbij de proceskosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank zijn vastgesteld op in totaal € 534,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op de helft van € 934, oftewel € 467, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op de helft van € 934, oftewel € 467, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op de helft van € 1.868, oftewel € 934, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op de helft van € 1.868, oftewel € 934, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden de helft van het door belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 134, oftewel € 67,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden de helft van het door belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 134, oftewel € 67,
- bepaalt dat de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) wettelijke rente is verschuldigd over de door hem te betalen vergoeding van het voor het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 67), de proceskosten van het geding voor het Hof (€ 934) en de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep (€1.000), in totaal € 2.001, vanaf 24 april 2024 tot de dag van de algehele voldoening daarvan,
- bepaalt dat de Inspecteur wettelijke rente is verschuldigd over de door hem te betalen vergoeding van het voor het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 67) en de proceskosten van het geding voor het Hof (€ 934), in totaal € 1.001, vanaf 24 april 2024 tot de dag van de algehele voldoening daarvan,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden de helft van het door belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht van € 279, oftewel € 139,50,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden de helft van het door belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht van € 279, oftewel € 139,50,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 421, oftewel € 210,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 421, oftewel € 210,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.