HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04040
Datum 10 april 2026
ARREST
In de zaak van
1. BENCIS CAPITAL PARTNERS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. BBOF II GENERAL PARTNER B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: Bencis,
advocaat: B.F.L.M. Schim,
tegen
1. DOSSCHE MILLS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Kerkrade,
2. DOSSCHE MILLS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
3. ROTTERDAM BRIELSELAAN B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: Dossche,
advocaten: A. Stortelder, B.T.M. van der Wiel en A. Knigge.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/588118 / HA ZA 19-1182 van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2021 en 23 februari 2022;
b. het arrest in de zaak 200.314.735/01 van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2024.
Bencis heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Dossche heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Bencis mede door D.F. den Blaauwen en voor Dossche mede door D.R.G. Ballestrero.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep. De advocaat van Bencis heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Tussen 26 november 2004 en 15 juli 2011 hield Bencis, een investeringsmaatschappij, indirect aandelen in verweersters in cassatie, destijds geheten Meneba B.V., Rotterdam Brielselaan B.V. en Meneba Holding B.V. (hierna gezamenlijk: Meneba). Meneba is een meelfabrikant.
(ii) De Nederlandse Mededingingsautoriteit, de rechtsvoorgangster van de ACM, heeft bij besluit van 16 december 2010 (hierna: eerste sanctiebesluit) aan Meneba een boete opgelegd van € 9 miljoen omdat zij in de periode van 12 september 2001 tot en met 16 maart 2007 met andere binnen- en buitenlandse meelfabrikanten inbreuk had gemaakt op het kartelverbod van art. 6 Mededingingswet (hierna: Mw) en art. 101 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).
(iii) Naast Meneba heeft de ACM in het eerste sanctiebesluit nog een aantal andere meelproducenten beboet voor deelname aan hetzelfde kartel.
(iv) Meneba heeft bezwaar gemaakt tegen het eerste sanctiebesluit. Dat bezwaar is ongegrond verklaard. Meneba heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Bij uitspraak van 17 juli 2014 heeft die rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Meneba is van de uitspraak van de rechtbank in beroep gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb). Het CBb heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd bij uitspraak van 14 juli 2016.
(v) Naar aanleiding van bezwaren van twee andere betrokken ondernemingen tegen het eerste sanctiebesluit heeft de ACM onderzocht of de inbreuk van Meneba ook aan Bencis als haar (indirecte) moedermaatschappij moest worden toegerekend. Bij andere deelnemers aan hetzelfde kartel was de inbreuk wél tevens aan hun moedermaatschappij toegerekend. De ACM is bij dit onderzoek tot het oordeel gekomen dat dit verschil in behandeling rechtgezet moest worden.
(vi) Bij besluit van 20 november 2014 (hierna: tweede sanctiebesluit) heeft de ACM aan Bencis een boete opgelegd van € 1.271.432,--. Daaraan heeft de ACM ten grondslag gelegd dat de in het eerste sanctiebesluit vastgestelde mededingingsrechtelijke inbreuk ook aan Bencis moet worden toegerekend, omdat Bencis in een deel van de inbreukperiode – van 26 november 2004 tot en met 16 maart 2007 – beslissende invloed uitoefende op Meneba en daarom in deze periode met Meneba één onderneming vormde in de zin van het mededingingsrecht.
(vii) Bencis heeft tegen het tweede sanctiebesluit bezwaar gemaakt. De ACM heeft dat bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 januari 2017 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van Bencis tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 maart 2019 heeft het CBb de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
(viii) In 2018 heeft het Dossche-concern Meneba overgenomen. Meneba wordt in deze uitspraak ook wel aangeduid als Dossche.
In dit geding vordert Bencis een verklaring voor recht dat Dossche met de gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht onrechtmatig jegens Bencis heeft gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door Bencis geleden schade, alsmede hoofdelijke veroordeling van Dossche tot betaling aan Bencis van het bedrag van de aan Bencis opgelegde boete. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het onder meer, samengevat, het volgende overwogen.
De verdeling van aansprakelijkheid voor een boete wegens een overtreding van de mededingingsregels binnen een onderneming is een kwestie van nationaal recht. Dat heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) in zijn rechtspraak bevestigd. Wel heeft het HvJEU daaraan toegevoegd: “met inachtneming van het recht van de Unie”. Kennelijk heeft het HvJEU daarmee het oog op algemene beginselen van Unierecht als het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel. (rov. 6.5)
De vraag of Bencis zich kan verhalen op Dossche (Meneba), wordt dus beheerst door Nederlands recht. Naar Nederlands recht komt het in essentie aan op de vraag of Meneba, door inbreuk te maken op het mededingingsrecht, onrechtmatig heeft gehandeld jegens Bencis, dan wel of Meneba ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Bencis. Bencis heeft ook een beroep gedaan op de zorgvuldigheidsnorm van art. 2:8 BW en de norm voor bestuurdersaansprakelijkheid van art. 2:9 BW. Die artikelen kunnen in dit geval echter niet dienen als zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid. De daarin opgenomen normen zijn hoogstens relevant als inkleuring van de toerekeningsmaatstaf voor de door Bencis gestelde onrechtmatige daad. (rov. 6.6)
Een inbreuk op het mededingingsrecht wordt gepleegd door een onderneming. De inbreuk is in dit geval dus gepleegd door Bencis en Meneba samen. Daarvoor is niet van belang of Bencis van de inbreuk op de hoogte was, en of zij een bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, maar volstaat dat zij in het relevante tijdvak als moedermaatschappij een beslissende invloed op Meneba kon uitoefenen. Een inbreuk op het mededingingsrecht die Bencis geacht wordt mede zelf te hebben gepleegd, kan niet tegelijkertijd een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis zijn. (rov. 6.7)
Het is niet uitgesloten dat in een geval als dit, waarin moeder en dochter volgtijdig en daardoor niet hoofdelijk zijn beboet, onderling verhaal kan plaatsvinden volgens eenzelfde uitgangspunt als opgenomen in art. 6:10 BW (het gedeelte van de gezamenlijke boetes dat ieder aangaat). Daarbij kunnen de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking een rol spelen. (rov. 6.8)
Het hof is echter van oordeel dat Bencis in dit geval geen vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking jegens Meneba toekomt. In de eerste plaats hebben Bencis en Meneba beide naar draagkracht bijgedragen aan de boete. Verder valt niet in te zien waarom uitsluitend Meneba, als de directe eigenaar van de inbreukmakende onderneming, en niet ook Bencis, als de uiteindelijke beleidsbepalende rechtspersoon in de relevante periode, de verantwoordelijkheid voor de inbreukmakende handelingen van de natuurlijke personen werkzaam voor Meneba zou moeten dragen. Het hof sluit niet uit dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin een rechtspersoon die deel uitmaakt van een onderneming en een boete heeft betaald die aan die onderneming is opgelegd, zich kan verhalen op een andere rechtspersoon die een grotere invloed heeft uitgeoefend op het beleid van de onderneming. Hier gaat het echter om een moedermaatschappij met een beslissende invloed op het beleid van de inbreukmakende onderneming. Die kan niet stellen dat de inbreuk uitsluitend de dochter aangaat, alleen omdat zij een due diligence onderzoek heeft verricht en navraag heeft gedaan naar mogelijke wetsovertredingen. Dat is onvoldoende reden om haar in de verhouding tot de dochter te ontslaan van een verantwoordelijkheid voor de inbreuk die zijn grondslag vindt in haar beslissende invloed op het beleid. (rov. 6.9-6.10)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte de op art. 6:10 BW (regres bij hoofdelijkheid, analogisch toegepast), art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) en art. 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking) gebaseerde vorderingen van Bencis heeft afgewezen op de grond dat Bencis voor de toepassing van het mededingingsrecht onderdeel vormt van dezelfde onderneming als Meneba, met het daaraan verbonden mededingingsrechtelijke gevolg dat ook Bencis een inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd, ongeacht of Bencis van de inbreuk op de hoogte was en of zij een bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd. Het hof heeft volgens het onderdeel miskend dat de beoordeling of Bencis een vordering heeft op Dossche (Meneba), moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaven van de genoemde bepalingen, en/of dat handelingen van Meneba die in het mededingingsrecht worden toegerekend aan Bencis als onderdeel van dezelfde onderneming in mededingingsrechtelijke zin, niet reeds om die reden ook bij de toepassing van die bepalingen in de verhouding tussen Dossche (Meneba) en Bencis kunnen worden toegerekend aan Bencis. Voor toerekening van gedragingen van Meneba aan Bencis is vereist dat deze gedragingen in het maatschappelijke verkeer als gedragingen van Bencis hebben te gelden. Daarbij komt betekenis toe aan de stellingen van Bencis dat zij niet van de inbreuk op de hoogte was, dat de inbreuk voor haar verborgen was gehouden, dat het zwaartepunt van de inbreukmakende gedragingen van Meneba begon in de periode voordat Bencis een indirect belang kreeg in Meneba en dat Bencis geen bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd. De enkele omstandigheid dat Bencis beslissende invloed kon uitoefenen op het beleid van Meneba, is onvoldoende voor toerekening, aldus het onderdeel.
Onderdeel 2 komt op tegen de afwijzing van de vordering op grond van onrechtmatige daad in rov. 6.7. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat de inbreuk op het mededingingsrecht door Meneba, afhankelijk van de omstandigheden, een doen of nalaten kan opleveren in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt, en dat daarbij betekenis toekomt aan de stellingen dat Bencis niet van de inbreuk op de hoogte was, dat de inbreuk voor haar verborgen was gehouden, dat zij geen bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, dat zij voorafgaand aan de verkrijging van de aandelen in Meneba due diligence onderzoek had gedaan en/of dat zij jaarlijks navraag deed bij Meneba of zij zich schuldig had gemaakt aan wetsovertredingen.
Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Uitgangspunt is dat de verdeling binnen een onderneming van aansprakelijkheid voor een boete wegens een overtreding van de mededingingsregels een kwestie is van nationaal recht en dat het aan de nationale rechterlijke instanties is om deze verdeling op grond van het op het geding toepasselijke nationale recht te bepalen met inachtneming van het recht van de Unie. Het hof heeft dit in het bestreden arrest (rov. 6.5) met juistheid vooropgesteld.
Een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij is niet zonder meer onrechtmatig jegens haar moedermaatschappij, ook niet als die moedermaatschappij niet op de hoogte was van de inbreuk. Bijkomende omstandigheden kunnen het gedrag van de dochtermaatschappij onrechtmatig doen zijn jegens de moedermaatschappij, bijvoorbeeld als de dochter de moeder bewust heeft misleid of onkundig heeft gehouden ten aanzien van de inbreuk op het mededingingsrecht.
De rechtbank heeft (na bewijslevering; zie rov. 2.2-2.7 van haar eindvonnis) geoordeeld dat niet zijn komen vast te staan de stellingen van Bencis:
- dat Bencis in het due diligence-onderzoek voorafgaand aan de overname van de aandelen Meneba specifiek heeft gevraagd naar mededingingsrechtelijke overtredingen,
- dat daarbij van de zijde van Meneba uitdrukkelijk is bevestigd dat er geen overtredingen zijn of werden gepleegd, en
- dat dat jaarlijks is bevestigd door Meneba.
Het hof heeft in de stellingen van Bencis in hoger beroep kennelijk niet een – voldoende duidelijke – grief gelezen tegen dat oordeel. De enkele stelling van Bencis dat Meneba de inbreuk voor haar verborgen heeft gehouden, heeft het hof kennelijk als onvoldoende concreet verworpen. Het oordeel van het hof komt er aldus op neer dat geen sprake is van bijkomende omstandigheden als hiervoor in 3.1.3 bedoeld.
De onderdelen stuiten af op hetgeen hiervoor in 3.1.2-3.1.4 is overwogen.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt Bencis in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dossche begroot op € 16.410,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Bencis deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 10 april 2026.