ECLI:NL:HR:2026:658

ECLI:NL:HR:2026:658

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 24/03974
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1164
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:2924

Samenvatting

Niet voldoen aan de op vader rustende plicht om ervoor te zorgen dat zijn 5-jarige dochter op school staat ingeschreven, art. 2.1 Leerplichtwet 1969. Komt vader beroep toe op vrijstellingsgrond van art. 5.b Lpw? Verdachte heeft o.g.v. zijn geloofsovertuiging (Tasawwuf) beroep gedaan op vrijstelling van verplichting ervoor te zorgen dat zijn dochter als leerling van school staat ingeschreven a.b.i. art. 5.b Lpw. Dit beroep is gedaan i.v.m. “overwegende bedenkingen” tegen richting van onderwijs op alle scholen die binnen redelijke afstand van woning van verdachte zijn gelegen. Hof heeft bezwaren van verdachte voldoende concreet en zwaarwegend geoordeeld v.zv. die zien op onderwijs op (soennitisch) islamitische, joodse, antroposofische en christelijke basisscholen. Beroep op vrijstelling is echter afgewezen, omdat bezwaren van verdachte tegen onderwijs op openbare scholen niet zijn aan te merken als voldoende concreet en zwaarwegend. HR zet uiteen wat toetsingskader is voor beoordeling van beroep op vrijstelling van inschrijfplicht. Eerdere rechtspraak van HR (HR:2015:1338, HR:2019:1925, HR:2017:3111 en HR:2011:BM6898) wordt daartoe verduidelijkt en op onderdelen nader ingevuld en aangescherpt. Reden daarvoor is allereerst dat in praktijk vragen bestaan over manier waarop dat toetsingskader moet worden toegepast. Daarnaast beoogt HR met nadere invulling en aanscherping van toetsingskader duidelijkheid te verschaffen over grenzen die recht op onderwijs (zoals dat in loop van de tijd vorm heeft gekregen in rechtspraak van EHRM en in internationaalrechtelijke en Unierechtelijke bepalingen) stelt aan mogelijkheid om beroep op vrijstelling van inschrijfplicht te honoreren wegens overwegende bedenkingen. Deze begrenzing houdt verband met toegenomen betekenis van recht op onderwijs voor volwaardige deelname aan samenleving sinds introductie van vrijstellingsgrond in Lpw 1900 en handhaving daarvan in nu geldende Lpw. Van overheid mag daarbij actief optreden worden gevergd om Lpw te handhaven, zo nodig langs strafrechtelijke weg. Oordeel van HR komt erop neer dat m.b.t. openbare scholen alleen nog met succes beroep kan worden gedaan op vrijstellingsgrond als komt vast te staan dat onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand van woning, v.zv. dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet plaatsvindt op objectieve, kritische en pluralistische manier. Dit zal in de praktijk betekenen dat beroep op deze vrijstellingsgrond, waar het gaat om openbaar onderwijs, nog slechts onder uitzonderlijke omstandigheden zal kunnen slagen. Hof heeft geoordeeld dat door verdachte aangevoerde “overwegende bedenkingen” verband houden met ernstige gemoedsbezwaren die berusten op voldoende welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing (Tasawwuf). Hof heeft deze bezwaren, v.zv. zij richting betreffen van onderwijs op openbare scholen binnen redelijke afstand van woning, onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend geoordeeld. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd uitgangspunt dat onderwijs op openbare scholen zich kenmerkt door levensbeschouwelijke neutraliteit, zoals dat voortvloeit uit art. 23.3 Grondwet en uit art. 8.3.c Wet op primair onderwijs. Vervolgens heeft hof overwogen dat niet is gebleken dat wat verdachte en medeverdachte vanuit hun geloofsovertuiging aan hun dochter willen meegeven, wordt tegengesproken of afgekeurd op openbare scholen. Bezwaren dat (geloofs)ontwikkeling van hun dochter wordt geschaad als zij op openbare school met andere geloofsovertuigingen bekend zou raken, of dat zij daarvan in de war kan raken of kan gaan twijfelen en dat zij zonder juist onderwijs “het paradijs niet binnen zal gaan”, sluiten volgens hof per definitie iedere vorm van onderwijs uit, behalve onderwijs in eigen specifieke leer van Tasawwuf en zijn, zonder verdere onderbouwing, naar ’s hofs oordeel geen concrete en zwaarwegende bezwaren tegen onderwijs dat school kan bieden. Ook anderszins zijn volgens hof dergelijke concrete en zwaarwegende bezwaren niet door verdachte en medeverdachte aangevoerd of aannemelijk geworden. ’s Hofs oordeel dat verdachte geen beroep toekomt op vrijstelling a.b.i. art. 5.b Lpw getuigt in het licht van wat hiervoor is uiteengezet, niet van onjuiste rechtsopvatting. Oordeel is ook toereikend gemotiveerd, nu daarin tot uitdrukking komt dat niet is komen vast te staan dat onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand van woning, v.zv. dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet voldoet aan maatstaf van kennis- en informatieoverdracht op objectieve, kritische en pluralistische manier. Volgt verwerping. Samenhang met 24/03975.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03974

Datum 21 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 oktober 2024, nummer 23-000709-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur en bij aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Waar het in deze zaak om gaat

In deze zaak heeft de verdachte op grond van zijn geloofsovertuiging, de Tasawwuf, een beroep gedaan op vrijstelling van de verplichting ervoor te zorgen dat zijn dochter als leerling van een school staat ingeschreven, als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969. Dit beroep is gedaan in verband met ‘overwegende bedenkingen’ (hierna ook: bezwaren) tegen de richting van het onderwijs op alle scholen die binnen redelijke afstand van de woning van de verdachte zijn gelegen. Het hof heeft de bezwaren van de verdachte voldoende concreet en zwaarwegend geoordeeld voor zover die zien op het onderwijs op (soennitisch) islamitische, joodse, antroposofische en christelijke basisscholen. Het beroep op de vrijstelling is echter afgewezen, omdat de bezwaren van de verdachte tegen het onderwijs op openbare scholen niet zijn aan te merken als voldoende concreet en zwaarwegend. In deze cassatieprocedure wordt onder meer tegen dit oordeel van het hof opgekomen.

De Hoge Raad zet in dit arrest uiteen wat het toetsingskader is voor de beoordeling van een beroep op de genoemde vrijstelling van de inschrijfplicht. De eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt daartoe verduidelijkt en op onderdelen nader ingevuld en aangescherpt. De reden daarvoor is allereerst dat in de praktijk vragen bestaan over de manier waarop dat toetsingskader moet worden toegepast. Daarnaast beoogt de Hoge Raad met de nadere invulling en aanscherping van het toetsingskader duidelijkheid te verschaffen over de grenzen die het recht op onderwijs – zoals dat in de loop van de tijd vorm heeft gekregen in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) en in internationaalrechtelijke en Unierechtelijke bepalingen – stelt aan de mogelijkheid om een beroep op vrijstelling van de inschrijfplicht te honoreren wegens overwegende bedenkingen. Deze begrenzing houdt verband met de toegenomen betekenis van het recht op onderwijs voor een volwaardige deelname aan de samenleving sinds de introductie van de vrijstellingsgrond in de Leerplichtwet 1900 en de handhaving daarvan in de nu geldende Leerplichtwet 1969. Van de overheid mag daarbij actief optreden worden gevergd om de Leerplichtwet 1969 te handhaven, zo nodig langs strafrechtelijke weg.Samengevat komt het oordeel van de Hoge Raad erop neer dat met betrekking tot openbare scholen alleen nog met succes een beroep kan worden gedaan op de hiervoor genoemde vrijstellingsgrond als komt vast te staan dat het onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand van de woning, voor zover dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Dit zal in de praktijk betekenen dat een beroep op deze vrijstellingsgrond, waar het gaat om openbaar onderwijs, nog slechts onder uitzonderlijke omstandigheden zal kunnen slagen.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 01 april 2022 tot en met 28 september 2022 te [geboorteplaats] , als degene die het gezag uitoefende over de jongere [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2017, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven.”

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.6.

Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de verdachte kan worden bewezenverklaard dat hij niet heeft voldaan aan de inschrijfplicht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte moeten worden vrijgesproken, omdat hij van rechtswege een vrijstelling van de inschrijfplicht heeft gekregen en die vrijstelling vervolgens op onjuiste gronden is geweigerd.

Overwegingen van het hof

Inleiding

Deze zaak gaat over het beroep dat de verdachte en de medeverdachte – vader en moeder van [verdachte] – op basis van artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet (Lpw) hebben gedaan op vrijstelling van de verplichting hun dochter op een school in te schrijven, omdat zij ‘overwegende bedenkingen’ hebben tegen de richting van het onderwijs op alle nabije gelegen scholen, daaronder ook de openbare scholen begrepen.

De ouders ontlenen die ‘overwegende bedenkingen’ aan de Tasawwuf (het soefisme). Hun dochter [verdachte] wordt door hen opgevoed volgens de regels en tradities van deze mystieke stroming in de Islam.

De vrijstelling ontstaat volgens de Leerplichtwet van rechtswege, maar de leerplichtambtenaar kan (achteraf) oordelen en heeft hier ook geoordeeld dat niet aan de voorwaarden voor een vrijstelling is voldaan. Hij heeft een proces-verbaal opgemaakt dat heeft geleid tot een veroordeling door de kantonrechter. De kantonrechter is ook van oordeel dat niet aan de voorwaarden is voldaan.

Voordat het hof toekomt aan zijn eigen oordeel hierover gaat het eerst in op het uitgangspunt van de Leerplichtwet en het mede op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad geldende toetsingskader. Daarna stelt het hof enige feiten vast met betrekking tot de onderhavige zaak. Vervolgens zullen de standpunten van de verdediging worden besproken.

Uitgangspunt: de inschrijfplicht is een schoolplicht

Uitgangspunt van de Leerplichtwet is dat ouders de verplichting hebben hun kinderen op een school in te schrijven en naar school te laten gaan. Daarmee is het belang gediend dat kinderen hebben om zich binnen een (scholen)gemeenschap, waaraan ook andere kinderen deelnemen, te ontwikkelen en te vormen. Dit belang ligt ook ten grondslag aan artikel 28, eerste lid, aanhef en onder e, van het Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) op grond waarvan Staten ertoe zijn verbonden maatregelen te nemen om regelmatig schoolbezoek te bevorderen en het aantal kinderen dat de school vroegtijdig verlaat, te verminderen. De Nederlandse staat is partij bij dit verdrag.

Als er geen school is die (voldoende) tegemoetkomt aan de godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing (verder ook: overtuiging) van ouders, zijn zij vrij om volgens wettelijke eisen een school op te richten die daar wel aan tegemoet komt, om daarna hun kinderen daar naar school te laten gaan (zie in dit verband ook artikel 29, tweede lid, van het IVRK). Leerplicht en inschrijfplicht komen dus in beginsel neer op een schoolplicht.

Om de bestendigheid van de schoolgang te waarborgen, is een beroep op vrijstelling van de inschrijfplicht als hier bedoeld niet meer mogelijk als het kind eenmaal op een school is geplaatst (zie artikel 8, tweede lid, van de Lpw). Dit betekent dat ouders een beroep op vrijstelling van de inschrijfplicht (door middel van een kennisgeving) in elk geval uiterlijk een maand voor aanvang van de leerplicht moeten doen (artikel 6, tweede lid, van de Lpw). Ook een verandering van overtuiging maakt niet dat later alsnog een beroep op vrijstelling kan worden gedaan. Zelfs als ouders later wel vrijstelling hebben voor een ander kind, is dat op zichzelf nog geen reden om de geweigerde vrijstelling van het eerste kind terug te draaien.

Deze regeling van inschrijfplicht en vrijstelling is geen inbreuk op het door art. 9, eerste lid, van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, noch op het in art. 2 Eerste Protocol EVRM geëerbiedigde recht om zich als ouders van het onderwijs te verzekeren, dat overeenstemt met de eigen overtuigingen (ECLI:NL:HR:2011:BM6898).

Wanneer er geen school beschikbaar is die overeenstemt met de eigen overtuiging, zijn ouders dus niet zonder meer vrijgesteld van de inschrijfplicht, noch zijn zij dan gerechtigd hun kind uitsluitend thuisonderwijs te (laten) geven. Ook is de overheid dan niet gehouden om een school van de door die ouders gewenste richting op te richten (ECLI:NL:HR:2015:2577 en ECLI:NL:HR:2019:1925).

Het belang van het kind bij schoolonderwijs staat kortom voorop; een beroep van ouders op vrijstelling moet daarom strikt aan de daarvoor geldende wettelijke eisen voldoen, waarbij gelet op het uitgangspunt van de schoolplicht indringend moet worden getoetst of aan de voorwaarden voor vrijstelling op grond van ‘overwegende bedenkingen’ is voldaan. Het is primair aan de leerplichtambtenaar om een kennisgeving van de ouder(s) aan deze voorwaarden te toetsen. Dit dient geen marginale toets te zijn, maar een volle toets, waarbij de leerplichtambtenaar de voorwaarden zoals die in de jurisprudentie tot op heden zijn geformuleerd (zie hierna) als uitgangspunt dient te nemen.

Voorwaarden voor vrijstelling op grond van ‘overwegende bedenkingen’

Bij een beroep op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw, moet het gaan om ‘overwegende bedenkingen’ tegen de richting van het onderwijs. Onder ‘overwegende bedenkingen’ tegen de richting van het onderwijs is niet een bezwaar begrepen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs (ECLI:NL:HR:2019:1925). Enkel de richting van het onderwijs kan dus het voorwerp van bezwaar zijn. Onder richting van het onderwijs wordt een fundamentele oriëntatie verstaan, die is ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Bezwaren kunnen echter ook bestaan tegen het ontbreken van een richting, zoals in het algemeen openbaar onderwijs (ECLI:NL:HR:2012:BV9201 en ECLI:NL:HR:2017:3111).

Van ‘overwegende bedenkingen’ kan pas sprake zijn in geval van gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. De eis van een welbepaalde godsdienst of levensovertuiging wordt zo dus in verband gebracht met zowel de richting van het onderwijs waar de bezwaren tegen zijn gericht als met de overtuigingen waar de gemoedsbezwaren op berusten. Van een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, waarop de gemoedsbezwaren berusten, is geen sprake indien het betreffende samenstel van opvattingen zich onvoldoende nauwkeurig laat bepalen of het daarin ontbreekt aan een voldoende mate van ernst of samenhang. Tot slot moet sprake zijn van voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren die verband houden met onderwijs aan kinderen zoals een school dat kan bieden (ECLI:NL:HR:2019:1925).

Van ‘overwegende bedenkingen’ kan samengevat dan ook alleen sprake zijn indien die:

- verband houden met ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing,

- betrekking hebben op de richting en derhalve de fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, van het in art. 5, aanhef en onder b, Lpw bedoelde onderwijs en

- zij voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren betreffen die verband houden met onderwijs zoals een school dat kan bieden.

Het voorgaande laat zien dat het enkele bestaan van bezwaren tegen de richting van het onderwijs op basis van een welbepaalde levensovertuiging niet voldoende is voor een vrijstelling, ook niet als er daarnaast zou kunnen worden voorzien in thuisonderwijs. Er is ook ruimte om de concreetheid en het gewicht van de bezwaren tegen het te bieden onderwijs te beoordelen en dat kan ertoe leiden dat er geen grond voor vrijstelling is. Dit volgt ook uit enkele andere arresten van de Hoge Raad die na het standaardarrest ECLI:NL:HR:2019:1925 zijn gewezen (ECLI:NL:HR:2020:1157, ECLI:NL:HR:2022:1004, ECLI:NL:HR:2023:770).

Indien de rechter oordeelt dat niet aan een van de genoemde vereisten wordt voldaan, kan hij reeds op die grond het beroep op de vrijstellingsgrond afwijzen, zonder dat hij hoeft te onderzoeken of voldaan is aan de overige vereisten (ook dit volgt uit HR:2019:1925). Daarbij kan naar het oordeel van het hof als uitgangspunt worden genomen dat een beroep op vrijstelling moet worden beoordeeld naar het moment waarop het is ingediend, maar dat laat onverlet dat ouders dat beroep in de strafzaak nader kunnen onderbouwen zolang daarmee niet in feite een nieuw beroep op een vrijstelling wordt gedaan. Het hof merkt daarbij op dat hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht in dit verband kan worden beschouwd als tevens het standpunt van de (aldaar afwezige) medeverdachte en dat dit het standpunt van ‘de ouders’ is.

Vaststelling van feiten in de onderhavige zaak

Vast staat dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2017, niet staat ingeschreven als leerling van een school. Niet ter discussie staat voorts dat verdachte, de vader van [verdachte] , en medeverdachte (de moeder) het gezag uitoefenen over [verdachte] en dat zij op juiste wijze een beroep op de leerplichtvrijstelling hebben gedaan. Zij hebben met een brief (kennisgeving) van 23 februari 2022 een beroep op vrijstelling gedaan, en korte tijd later (11 maart 2022) een overzicht van scholen toegestuurd. Van alle schooltypes binnen redelijke afstand van de woning hebben de ouders beschreven wat de bezwaren daartegen zijn. De leerplichtambtenaar heeft de ouders uitgenodigd voor een gesprek en is naar aanleiding daarvan tot de conclusie gekomen dat de ouders zich – kort gezegd – onvoldoende hebben georiënteerd op het onderwijsaanbod en de overwegende bedenkingen onvoldoende hebben geconcretiseerd, zodat niet aan de wettelijke eisen is voldaan. Dit is de ouders per brief van 25 mei 2022 medegedeeld. Op een uitnodiging voor een verhoor is niet meer gereageerd. Er is vervolgens proces-verbaal opgemaakt en de officier van justitie is op basis daarvan tot vervolging overgegaan.

De ‘overwegende bedenkingen’ van de ouders en het oordeel van het hof

A) (Soennitisch) Islamitisch, joods, antroposofisch en christelijk onderwijs

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de door de ouders aangehangen godsdienstige overtuiging een voldoende welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing is, de bedenkingen de richting van het (soennitisch) islamitische, joodse, antroposofische en christelijke onderwijs betreffen, dat de ‘overwegende bedenkingen’ verband houden met ernstige gemoedsbezwaren die berusten op de geloofsovertuiging van de ouders en dat deze bedenkingen voldoende concrete en zwaarwegende bezwaren betreffen. Samengevat komen die bezwaren er op neer dat bij het onderwijs op de betreffende scholen volgens hen sprake is van een met hun geloofsvisie strijdige leerstelligheid vanuit de islam, dan wel de antroposofie of het joodse of christelijk geloof, die voor hun dochter moeilijk te combineren zal zijn met hetgeen zij vanuit huis krijgt aangedragen.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat de door de ouders aangehangen godsdienstige overtuiging, de Tasawwuf (het soefisme), een voldoende welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing is. Voorts stelt het hof vast dat de ‘overwegende bedenkingen’ die door de ouders zijn aangevoerd ten aanzien van de (soennitisch) islamitische, joodse, antroposofische en christelijke basisscholen in Amsterdam de richting van het onderwijs betreffen. Het hof stelt daarnaast vast dat de ‘overwegende bedenkingen’ verband houden met ernstige gemoedsbezwaren van de ouders die berusten op deze godsdienstige overtuiging. De ouders hebben ten aanzien van alle scholen die binnen een redelijke afstand van de woning gelegen zijn, kenbaar gemaakt wat hun overwegende bedenkingen dan wel bezwaren tegen de richtingen van deze scholen zijn. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de ouders ten aanzien van de (soennitisch) islamitische, joodse, antroposofische en christelijke basisscholen in Amsterdam vooralsnog voldoende concreet hebben gemaakt wat hun bezwaren zijn. Die bezwaren zijn naar het oordeel van het hof ook voldoende zwaarwegend.

B) Openbaar onderwijs

Standpunt van de verdediging

Als eerste bezwaar tegen het openbaar onderwijs is namens de ouders aangevoerd dat dit type onderwijs de geloofsovertuiging van de ouders niet zal uitdragen of bevorderen, doordat de scholen neutraal zijn in hun levensbeschouwelijke opvattingen. Als tweede bezwaar is door de ouders aangevoerd dat openbare scholen alle religies zullen eerbiedigen, hetgeen de spirituele ontwikkeling van [verdachte] zal schaden. Zo zal een openbare school volgens ouders geen afstand nemen van met de geloofsovertuiging van de ouders strijdige levensovertuigingen zoals het polytheïsme en het atheïsme en [verdachte] zal bij gebrek aan onderwijs dat past bij haar geloofsovertuiging mogelijk ‘het paradijs niet binnengaan’. [verdachte] zou zich voorts steeds moeten verantwoorden voor namen, woorden, ideeën en opvattingen die zij van huis uit meekrijgt en zou daarvan in de war kunnen raken of kunnen gaan twijfelen. Als derde bezwaar is door de ouders aangevoerd dat op een openbare school de geestelijke, cognitieve en sociale ontwikkeling van [verdachte] van elkaar worden gescheiden, hetgeen zij onwenselijk achten nu de levensovertuiging van de ouders geen onderscheid maakt tussen de spirituele en wereldse kanten van het leven. De raadsman heeft in dit verband betoogd dat de verdachte wil dat [verdachte] de Tasawwuf in het onderwijs meekrijgt, waarbij het onderwijs en de geloofsovertuiging als het ware in elkaar worden verweven.

Oordeel hof

Hoewel bezwaren ook kunnen zijn gericht tegen het ontbreken van een richting, zoals in het algemeen openbaar onderwijs, en de bezwaren van de verdachte in zoverre dus aan de eisen voldoen, dienen deze ook te voldoen aan de eis van voldoende concreetheid en zwaarwegendheid. Vaststaat dat het openbaar onderwijs zich kenmerkt door levensbeschouwelijke neutraliteit. Dit vloeit onder meer voort uit artikel 23, derde lid, van de Grondwet en uit artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, van de Wet op het primair onderwijs. Op openbare scholen wordt de spirituele ontwikkeling van leerlingen aan de ouders gelaten.

Op geen enkele wijze is gebleken dat hetgeen de ouders vanuit geloofsovertuiging in de opvoeding aan [verdachte] willen meegeven, wordt tegengesproken of afgekeurd op openbare scholen. De ouders hebben nagelaten concreet te maken op welke wijze de (geloofs)ontwikkeling van [verdachte] wordt geschaad op het moment dat zij op een openbare school met andere geloofsovertuigingen bekend zou raken, hetgeen ook buiten school om zou kunnen gebeuren. De onderbouwing van de ouders dat [verdachte] daarvan in de war raakt of zou kunnen gaan twijfelen, maakt naar het oordeel van het hof nog niet dat deze bedenking tegen het openbaar onderwijs voldoende concreet is gemaakt. Dat [verdachte] zich steeds zou moeten verantwoorden voor namen, woorden, ideeën en opvattingen die zij van huis uit meekrijgt is niet concreet gemaakt. De enkele overtuiging dat [verdachte] zonder het juiste onderwijs ‘het paradijs niet binnen zal gaan’, is een zwaarwegende overtuiging, maar levert daarmee nog niet een voldoende concreet en zwaarwegend bezwaar op tegen het onderwijs dat een school kan bieden. Zonder verdere onderbouwing sluiten de ouders met hun – algemeen geformuleerde – bezwaren per definitie iedere vorm van onderwijs uit, behalve onderwijs in de eigen specifieke leer van de Tasawwuf.

Zoals eerder overwogen staat het de ouders vrij om volgens wettelijke eisen een school op te richten die aan hun wens tegemoet komt, maar het enkel ontbreken van het bestaan van een dergelijke school in de nabije omgeving, maakt nog niet dat [verdachte] automatisch in aanmerking komt voor een vrijstelling op grond van artikel 5, aanhef en onder b, Lpw. Van de ouders mag worden verlangd dat zij bij de scholen binnen redelijke afstand van hun woning onderzoek doen naar de ruimte die de scholen kunnen bieden aan leerlingen met speciale wensen ten aanzien van het onderwijs. Niet is gebleken dat de ouders met de openbare scholen in de nabije omgeving in gesprek zijn gegaan om bijvoorbeeld te onderzoeken of – en zo ja, op welke wijze – overtuigingen die de ouders afwijzen aan bod zullen komen. Om de concrete en zwaarwegende aard van de bezwaren tegen het onderwijs op scholen duidelijk te maken, zal veelal een dergelijk onderzoek naar die scholen (en verslaglegging dan wel kenbaarheid daarvan) nodig zijn.

Verder is ter terechtzitting nog aangevoerd dat op openbare scholen de intentie zou ontbreken om een autoritaire opstelling naar leerlingen zoveel mogelijk te voorkomen dan wel tot het uiterst noodzakelijke te beperken. Hoewel het hof deze stelling van de ouders niet tot de lijst met aangevoerde bezwaren rekent, immers hebben zij deze niet eerder als zodanig opgegeven, merkt het hof hier ten overvloede over op dat voor zover dit al ziet op de richting van het openbaar onderwijs, de stelling, zonder verdere onderbouwing, niet is aan te merken als voldoende concreet en zwaarwegend. Overigens is gesteld noch gebleken dat de ouders hebben onderzocht in hoeverre sprake is van een autoritaire opstelling op de scholen in hun nabije omgeving.

C) Artikel 2 Eerste Protocol EVRM

De raadsman heeft een beroep gedaan op artikel 2 Eerste Protocol EVRM. Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de overheid volgens dit artikel het recht van de ouders om zich van dat onderwijs dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging te verzekeren, dient te eerbiedigen, niet tot gevolg heeft dat de mogelijkheid een beroep te doen op vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zoals voorzien in art. 5 in verbinding met art. 8, eerste lid, Lpw, niet aan een beperking kan zijn onderworpen, zoals die zijn neergelegd in art. 8, tweede lid, Lpw (ECLI:NL:HR:2015:2577).

Conclusie

Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte geen beroep toekomt op de vrijstelling van artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet.

De omstandigheid dat een andere leerplichtambtenaar – die het dossier van de ouders thans behandelt – blijkens diens verklaring ter terechtzitting in hoger beroep meent dat de vrijstelling wel rechtsgeldig was, maakt dit niet anders. Hetzelfde heeft te gelden voor hetgeen is aangevoerd over (de mogelijkheid van) thuisonderwijs aan [verdachte] . Dat zij thuisonderwijs krijgt, is op zichzelf immers geen grond om een vrijstelling (mede) te rechtvaardigen.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat verdachte niet van rechtswege een vrijstelling voor de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de Leerplichtwet heeft verkregen.

Overwegingen ten overvloede

Het hof signaleert dat het aantal vrijstellingen wegens ‘overwegende bedenkingen’ de afgelopen jaren hand over hand is toegenomen. Er bestaan bij leerplichtambtenaren in dit verband zorgen over het lot van kinderen met een vrijstelling. Er blijkt weinig zicht te zijn op hoe het met die kinderen gaat en er bestaat onvoldoende structureel toezicht op thuisonderwijs, voor zover ouders daar al in (kunnen) voorzien. Dit terwijl goed functionerend thuisonderwijs – dat ook regelmatig wordt gecontroleerd – een belangrijke voorwaarde is voor een systeem waarin vrijstellingen van de leer- en schoolplicht kunnen bestaan.

Het is het hof in dit verband opgevallen dat de instructie die leerplichtambtenaren hanteren bij hun toetsing van vrijstellingen een meer marginale toets lijkt in te houden dan die voortvloeit uit de rechtspraak (zie het hiervoor genoemde ECLI:NL:HR:2019:1925). Uit die instructie lijkt voort te vloeien dat slechts wordt getoetst of de bedenkingen ‘daadwerkelijk de richting van het onderwijs betreffen’. Dit is in het licht van de jurisprudentie ontoereikend. Uit een in 2023 gehouden enquête onder leerplichtambtenaren volgt overigens dat in een kwart van de gevallen de leerplichtambtenaar zelfs geen zicht heeft op de richting waarop de ouders zich beroepen, of er niet naar vraagt, en in het merendeel van de gevallen roepen zij de ouders alleen soms, of zelfs nooit, op om te worden gehoord.

Een en ander maakt dat kan worden betwijfeld of het uit de jurisprudentie voortvloeiende kader leidt tot een juiste toetsing van vrijstellingen in de praktijk, terwijl evenmin is voorzien in een structurele vorm van kwalitatief goed thuisonderwijs. Deze twijfel heeft het hof ook overgehouden aan het horen van de leerplichtambtenaar ter terechtzitting in hoger beroep in de onderhavige zaak. Het resultaat van deze praktijk van kennelijk weinig indringende toetsing is dat een toenemend aantal kinderen als gevolg van de overtuigingen van hun ouders niet naar school gaat, terwijl er geen zicht bestaat op hoe het met hen gaat en of zij anderszins onderwijs volgen. Dit staat op gespannen voet met het uitgangspunt van de schoolplicht en de belangen van kinderen die daaraan ten grondslag liggen. Het hof roept daarom op om bij de handhaving van de Leerplichtwet in dit verband indringender te toetsen aan de geldende eisen wanneer een beroep wordt gedaan op vrijstelling wegens richtingsbezwaren.”

4. Juridisch kader

De volgende bepalingen zijn van belang.

- Artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw):

“Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. (...)”

- Artikel 5, aanhef en onder b, Lpw:

“De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk als vavo-student of mbo-student van een instelling staat ingeschreven, zolang

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning – of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland – gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben”.

- Artikel 8 Lpw:

“1. Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

2. Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit.”

Uitgangspunten van de wettelijke regeling

Op grond van artikel 2 lid 1 Lpw zijn degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, verplicht te zorgen dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. De in artikel 2 Lpw bedoelde personen kunnen op grond van ‘overwegende bedenkingen’ als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw een beroep doen op vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5, aanhef en onder b, Lpw is de betreffende vrijstellingsgrond in het leven geroepen met het oog op de eerbiediging van ernstige gemoedsbezwaren (Kamerstukken II 1897/98, 160, nr. 3, p. 7). Het beroep op deze vrijstellingsgrond moet voldoen aan de in artikel 8 Lpw omschreven voorwaarden. Het uitgangspunt van deze regeling is dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school geregeld bezoekt. Daarmee wordt beoogd het recht op onderwijs voor het kind te garanderen, met oog voor het belang dat een kind, samen met andere kinderen, kan deelnemen aan het onderwijs op een school en binnen een schoolgemeenschap, en zich zo kan ontwikkelen en vormen. (Vgl. HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1338.)

Als een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw, moet de rechter onderzoeken of het bezwaar de richting van het onderwijs betreft. Onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw is niet begrepen een bezwaar tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs.

Het toetsingskader uit eerdere rechtspraak

In eerdere rechtspraak is het volgende beslist over het te hanteren toetsingskader. Onder het begrip ‘richting’ als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw wordt verstaan een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Van overwegende bedenkingen in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, Lpw is daarom pas sprake bij ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Van zulke ernstige gemoedsbezwaren is onder meer geen sprake als het betreffende samenstel van opvattingen zich onvoldoende nauwkeurig laat bepalen of het daarin ontbreekt aan een voldoende mate van ernst of samenhang.

Van overwegende bezwaren in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, Lpw is ook geen sprake als weliswaar vanuit een godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing bezwaren worden aangevoerd, maar die bezwaren in onvoldoende mate verband houden met onderwijs aan kinderen zoals een school dat kan bieden. Voor het aannemen van overwegende bedenkingen moet sprake zijn van voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren die verband houden met onderwijs zoals hiervoor bedoeld.

Van overwegende bedenkingen in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, Lpw kan daarom alleen sprake zijn als de bedenkingen die worden aangevoerd: (i) verband houden met ernstige gemoedsbezwaren van de in artikel 2 lid 1 Lpw bedoelde persoon die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, (ii) betrekking hebben op de richting en daarom de fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, van – kort gezegd – het in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw bedoelde onderwijs en (iii) voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren betreffen die verband houden met onderwijs zoals een school dat kan bieden.

Als de rechter oordeelt dat niet aan één van de hiervoor genoemde vereisten wordt voldaan, kan hij al op die grond het beroep op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw afwijzen, zonder dat hij hoeft te onderzoeken of voldaan is aan de overige vereisten. (Vgl. HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1925.)

Verduidelijking en aanscherping van het toetsingskader

De Hoge Raad gaat hieronder – mede tegen de achtergrond van de relevante internationaalrechtelijke en Unierechtelijke bepalingen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.16 tot en met 3.39 – nader in op het onder 4.2.5 weergegeven toetsingskader voor de beoordeling van een beroep op de genoemde vrijstelling van de inschrijfplicht. De Hoge Raad zal daarbij de onder 4.2 weergegeven rechtspraak verduidelijken en, gelet op de toegenomen betekenis van het recht op onderwijs voor een volwaardige deelname aan de samenleving, ook aanscherpen.

Het onder 4.2.5 onder (i) bedoelde vereiste dat de overwegende bedenkingen verband moeten houden met ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, sluit aan bij de rechtspraak van het EHRM over de reikwijdte van het door artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst. Deze reikwijdte wordt daarin beperkt tot “those views that attain a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance” (vgl. EHRM (Grote Kamer) 16 april 2016, nr. 62649/10 (İzzettin Doğan e.a/Turkije), overweging 68).

Bij de beoordeling of sprake is van een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing moet de rechter zich in beginsel terughoudend opstellen. Een indringende toetsing kan op gespannen voet staan met de op dat gebied door de Staat te betrachten neutraliteit en onpartijdigheid.

Daarnaast moet sprake zijn van overwegende bedenkingen die (ii) betrekking hebben op de richting en daarom de fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, van – kort gezegd – het in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw bedoelde onderwijs en (iii) voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren betreffen die verband houden met onderwijs zoals een school dat kan bieden. Bij de beantwoording van de vraag of aan deze vereisten wordt voldaan, moet de rechtspraak van het EHRM over artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM worden betrokken. Zoals hierna toegelicht, vloeit uit die rechtspraak voort dat het recht op onderwijs van de jongere grenzen stelt aan de mogelijkheid om een beroep op vrijstelling van de inschrijfplicht te honoreren wegens overwegende bedenkingen van de in artikel 2 lid 1 Lpw bedoelde personen. Dat geldt ook voor de overige internationaalrechtelijke en Unierechtelijke bepalingen waaruit voor de Nederlandse Staat de positieve verplichting voortvloeit om de maatregelen te nemen die nodig zijn om te garanderen dat kinderen onderwijs krijgen.

De eerste volzin van artikel 2 Eerste Protocol bij het EVRM houdt in dat niemand het recht op onderwijs mag worden ontzegd. De tweede volzin van deze bepaling houdt in dat staten het recht moeten eerbiedigen van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen. De Grote Kamer van het EHRM heeft in zijn uitspraak van 29 juni 2007, nr. 15472/02 (Folgerø en anderen/Noorwegen) over artikel 2 Eerste Protocol bij het EVRM onder meer overwogen:

“84. As to the general interpretation of Article 2 of Protocol No. 1, the Court has in its case-law (see, in particular, Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, §§ 50-54; Campbell and Cosans v. the United Kingdom, 25 February 1982, §§ 36-37, Series A no. 48; and Valsamis v. Greece, 18 December 1996, §§ 25-28, Reports of Judgments and Decisions 1996-VI) enounced the following major principles:

(a) The two sentences of Article 2 of Protocol No. 1 must be interpreted not only in the light of each other but also, in particular, of Articles 8, 9 and 10 of the Convention (see Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, § 52).

(b) It is on to the fundamental right to education that is grafted the right of parents to respect for their religious and philosophical convictions, and the first sentence does not distinguish, any more than the second, between State and private teaching. The second sentence of Article 2 of Protocol No. 1 aims in short at safeguarding the possibility of pluralism in education, which possibility is essential for the preservation of the “democratic society” as conceived by the Convention. In view of the power of the modern State, it is above all through State teaching that this aim must be realised (see Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, § 50).

(c) Article 2 of Protocol No. 1 does not permit a distinction to be drawn between religious instruction and other subjects. It enjoins the State to respect parents’ convictions, be they religious or philosophical, throughout the entire State education programme (see Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, § 51). That duty is broad in its extent as it applies not only to the content of education and the manner of its provision but also to the performance of all the “functions” assumed by the State. The verb “respect” means more than “acknowledge” or “take into account”. In addition to a primarily negative undertaking, it implies some positive obligation on the part of the State. The term “conviction”, taken on its own, is not synonymous with the words “opinions” and “ideas”. It denotes views that attain a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance (see Valsamis, cited above, §§ 25 and 27, and Campbell and Cosans, cited above, §§ 36-37).

(d) Article 2 of Protocol No. 1 constitutes a whole that is dominated by its first sentence. By binding themselves not to “deny the right to education”, the Contracting States guarantee to anyone within their jurisdiction a right of access to educational institutions existing at a given time and the possibility of drawing, by official recognition of the studies which he has completed, profit from the education received (see Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, § 52, and Case “relating to certain aspects of the laws on the use of languages in education in Belgium” v. Belgium (merits), 23 July 1968, Series A no. 6, pp. 31-32, § 4).

(e) It is in the discharge of a natural duty towards their children – parents being primarily responsible for the “education and teaching” of their children – that parents may require the State to respect their religious and philosophical convictions. Their right thus corresponds to a responsibility closely linked to the enjoyment and the exercise of the right to education (see Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, ibid.).

(f) Although individual interests must on occasion be subordinated to those of a group, democracy does not simply mean that the views of a majority must always prevail: a balance must be achieved which ensures the fair and proper treatment of minorities and avoids any abuse of a dominant position (see Valsamis, cited above, § 27).

(g) However, the setting and planning of the curriculum fall in principle within the competence of the Contracting States. This mainly involves questions of expediency on which it is not for the Court to rule and whose solution may legitimately vary according to the country and the era (see Valsamis, cited above, § 28). In particular, the second sentence of Article 2 of Protocol No. 1 does not prevent States from imparting through teaching or education information or knowledge of a directly or indirectly religious or philosophical kind. It does not even permit parents to object to the integration of such teaching or education in the school curriculum, for otherwise all institutionalised teaching would run the risk of proving impracticable (see Kjeldsen, Busk Madsen and Pedersen, cited above, § 53).

(h) The second sentence of Article 2 of Protocol No. 1 implies on the other hand that the State, in fulfilling the functions assumed by it in regard to education and teaching, must take care that information or knowledge included in the curriculum is conveyed in an objective, critical and pluralistic manner. The State is forbidden to pursue an aim of indoctrination that might be considered as not respecting parents’ religious and philosophical convictions. That is the limit that must not be exceeded (ibid.).

(i) In order to examine the disputed legislation under Article 2 of Protocol No. 1, interpreted as above, one must, while avoiding any evaluation of the legislation’s expediency, have regard to the material situation that it sought and still seeks to meet. Certainly, abuses can occur as to the manner in which the provisions in force are applied by a given school or teacher and the competent authorities have a duty to take the utmost care to see to it that parents’ religious and philosophical convictions are not disregarded at this level by carelessness, lack of judgment or misplaced proselytism (ibid., § 54).”

Uit deze overwegingen komt onder meer naar voren dat de eerste volzin van artikel 2 Eerste Protocol bij het EVRM leidend is ten opzichte van de tweede volzin. Dit houdt in dat meer gewicht toekomt aan de eerste volzin, waarin is bepaald dat niemand het recht op onderwijs mag worden ontzegd, dan aan de tweede volzin over het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen. Hieruit volgt dat het recht op onderwijs van het kind niet ondergeschikt mag worden gemaakt aan de godsdienstige en filosofische overtuigingen van de ouders (vgl. EHRM 11 september 2006, nr. 35504/03 (Konrad/Duitsland)).Uit deze overwegingen komt verder naar voren dat artikel 2 Eerste Protocol bij het EVRM er niet aan in de weg staat dat het onderwijs overdracht omvat van kennis en informatie van direct of indirect godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Hoewel er respect moet bestaan voor de godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing van de ouders, komt aan hen – op deze verdragsrechtelijke basis – niet het recht toe bezwaar te maken tegen de integratie van dergelijk onderwijs in het schoolcurriculum, omdat anders het risico zou ontstaan dat al het geïnstitutionaliseerde onderwijs onmogelijk wordt. Daarbij rust op de Staat wel de verplichting ervoor zorg te dragen dat binnen het schoolcurriculum overdracht van informatie en kennis plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier.

Bij de beoordeling of aan de onder 4.2.5 als (ii) en (iii) genoemde vereisten wordt voldaan, moet worden onderzocht of deze vereisten zijn vervuld ten aanzien van alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen. Voor de beoordeling van de bezwaren tegen het onderwijs op openbare scholen geldt daarbij het volgende. Van overwegende bedenkingen die voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren betreffen die verband houden met onderwijs zoals een school dat kan bieden, kan geen sprake zijn voor zover die bezwaren zich richten tegen (onderdelen van het) onderwijs dat niet godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard is. Van dergelijke overwegende bedenkingen kan verder geen sprake zijn als die bezwaren zich richten tegen (onderdelen van het) onderwijs waarin neutrale overdracht van kennis en informatie over verschillende godsdienstige, levensbeschouwelijke of maatschappelijke opvattingen plaatsvindt. Dit laatste is alleen anders als concreet komt vast te staan dat dit onderwijs niet voldoet aan de eis dat die overdracht van kennis en informatie plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier.

Degene die een beroep doet op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw moet dat aan de hand van concrete feiten en omstandigheden zodanig onderbouwen, dat de rechter in staat is te beoordelen of aan alle onder 4.4 tot en met 4.7 bedoelde vereisten is voldaan.

Ook bij de toepassing van dit bijgestelde toetsingskader geldt dat, zoals onder 4.2.6 is overwogen, de rechter het beroep op de vrijstellingsgrond al kan afwijzen als hij oordeelt dat niet aan één van de drie hiervoor genoemde vereisten wordt voldaan. Hij hoeft dan niet te onderzoeken of is voldaan aan de overige vereisten.

Het vorenstaande vormt een nadere invulling en aanscherping van de onder 4.2 weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad. Deze aanscherping komt erop neer dat met betrekking tot openbare scholen alleen nog met succes een beroep kan worden gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw, als komt vast te staan dat het onderwijs op alle openbare scholen die binnen een redelijke afstand van de woning zijn gelegen, voor zover dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet voldoet aan de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Dit betekent ook dat de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad waarin is beslist dat overwegende bedenkingen ook kunnen zijn gericht tegen het ontbreken van een levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs en daarom ook tegen de richting van het openbaar onderwijs (vgl. HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3111), moet worden bijgesteld. Uit wat onder 4.7 is overwogen, volgt immers dat overwegende bedenkingen tegen uitsluitend de neutrale richting van het openbaar onderwijs niet volstaan voor een beroep op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw. Het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen, verzet zich – ook in het licht van artikel 9 EVRM en artikel 2 Eerste Protocol bij het EVRM – niet tegen deze aanscherping van de onder 4.2 weergegeven rechtspraak.Ouders hebben immers in Nederland de vrijheid hun kinderen de school van hun keuze te laten bezoeken. Dat kan ook een zelf opgerichte school zijn waar volgens hun godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen wordt lesgegeven. Daarnaast hebben ouders de vrijheid hun kinderen na schooltijd en in het weekend onderwijs te laten volgen dat in overeenstemming is met hun opvattingen. (Vgl. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6898, rechtsoverweging 5.5.)

De positieve verplichting voor de Nederlandse Staat om de maatregelen te nemen die nodig zijn om te garanderen dat kinderen onderwijs krijgen en om te zorgen dat het onderwijssysteem effectief is, brengt ten slotte met zich dat actief optreden van de Staat wordt gevergd om de Leerplichtwet 1969 te handhaven, zo nodig langs strafrechtelijke weg, als een kind verstoken dreigt te raken van het door artikel 2 Eerste Protocol bij het EVRM gegarandeerde onderwijs.

5. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de bedenkingen van de verdachte met betrekking tot de openbare scholen op redelijke afstand van de woning onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend zijn en dat daarom de verdachte geen beroep toekomt op de vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw.

Het hof heeft geoordeeld dat de door de verdachte aangevoerde ‘overwegende bedenkingen’ verband houden met ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een voldoende welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, de Tasawwuf. Het hof heeft deze bezwaren, voor zover zij de richting betreffen van het onderwijs op openbare scholen binnen redelijke afstand van de woning, onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend geoordeeld. Daaraan heeft het hof onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat het onderwijs op openbare scholen zich kenmerkt door levensbeschouwelijke neutraliteit, zoals dat voortvloeit uit artikel 23 lid 3 van de Grondwet en uit artikel 8 lid 3, aanhef en onder c, van de Wet op het primair onderwijs. Vervolgens heeft het hof overwogen dat niet is gebleken dat wat de verdachte en de medeverdachte vanuit hun geloofsovertuiging aan hun dochter willen meegeven, wordt tegengesproken of afgekeurd op openbare scholen. De bezwaren dat de (geloofs)ontwikkeling van hun dochter wordt geschaad als zij op een openbare school met andere geloofsovertuigingen bekend zou raken, of dat zij daarvan in de war kan raken of gaan twijfelen en dat zij zonder het juiste onderwijs “het paradijs niet binnen zal gaan”, sluiten volgens het hof per definitie iedere vorm van onderwijs uit, behalve onderwijs in de eigen specifieke leer van de Tasawwuf en zijn, zonder verdere onderbouwing, naar het oordeel van het hof geen concrete en zwaarwegende bezwaren tegen het onderwijs dat een school kan bieden. Ook anderszins zijn volgens het hof dergelijke concrete en zwaarwegende bezwaren niet door de verdachte en de medeverdachte aangevoerd of aannemelijk geworden.

Het oordeel van het hof dat de verdachte geen beroep toekomt op de vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw getuigt in het licht van wat onder 4 is uiteengezet, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook toereikend gemotiveerd, nu in dat oordeel tot uitdrukking komt dat niet is komen vast te staan dat het onderwijs op alle openbare scholen binnen een redelijke afstand van de woning, voor zover dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet voldoet aan de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht op een objectieve, kritische en pluralistische manier.

Het cassatiemiddel faalt.

6. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?