HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03891
Datum 17 april 2026
ARREST
In de zaak van
DE PLURINATIONALE STAAT BOLIVIA,
zetelend te Sucre, Bolivia,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Bolivia,
advocaten: L.V. van Gardingen en R.R. Verkerk,
tegen
BANCO BILBAO VIZCAYA ARGENTARIA S.A.,
gevestigd te Bilbao, Spanje,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: BBVA,
advocaten: A.G. Colenbrander en A.M. van Aerde.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het arrest in de zaak 200.322.789/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 juli 2024.
Bolivia heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
BBVA heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Bolivia mede door A.J.J. Kool en voor BBVA mede door P.B. Fritschy.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep. De advocaten van Bolivia hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt Bolivia in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van BBVA begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 april 2026.