ECLI:NL:HR:2026:680

ECLI:NL:HR:2026:680

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer 25/00704
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1128

Samenvatting

Caribische zaak. Erfrecht; verdeling van huuropbrengst uit nalatenschapsgoed (art. 3:169 BW Curaçao; art. 3:172 BW Curaçao). Rechtsverwerking.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/00704

Datum 17 april 2026

ARREST

In de zaak van

1. [verzoeker 1] ,

wonende in Curaçao,

2. [verzoeker 2] ,

wonende in Nederland,

3. [verzoekster 3] ,

wonende in Curaçao,

VERZOEKERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [verzoekers] ,

advocaat: R.R. Verkerk,

tegen

1. De erfgenamen van [erflater 1] , te weten: zijn kinderen:

a. [erfgenaam 1a] ,

b. [erfgename 1b] ,

c. [erfgenaam 1c] ,

d. [erfgenaam 1d] ,

en zijn weduwe:

[weduwe 1] ,

2. de erfgenamen van [erflater 2] , te weten: zijn kinderen:

e. [erfgename 2e] ,

f. [erfgename 2f] ,

en zijn weduwe:

[weduwe 2] ,

3. [verweerder 3] ,

wonende in Curaçao,

verweerders in cassatie onder 1 tot en met 3 hierna gezamenlijk: [verweerders 1 t/m 3] ,

4. [verweerder 4] (erfgenaam van [erflater 3] ),

wonende in Curaçao,

5. [verweerster 5] (erfgename van [erflater 3] ),

wonende in Nederland,

verweerders in cassatie onder 4 en 5 hierna gezamenlijk: [verweerders 4 en 5] ,

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak AR 75725/2015 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 31 oktober 2016, 21 augustus 2017 en 8 oktober 2018;

b. de vonnissen in de zaak CUR201500987 - CUR2018H00436 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 18 december 2020, 21 december 2021, 26 juli 2022, 24 oktober 2023, 30 juli 2024 en 26 november 2024.

[verzoekers] hebben tegen het vonnis van het hof van 26 november 2024, alsmede tegen de tussenvonnissen van het hof van 18 december 2020, 26 juli 2022, 24 oktober 2023 en 30 juli 2024, voor zover daarin bindende eindbeslissingen zijn vervat, beroep in cassatie ingesteld.

[verweerders 1 t/m 3] en [verweerders 4 en 5] hebben geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot vernietiging en terugwijzing.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn erfgenamen van [erflater 4] , overleden op 23 januari 1970, en [erflaatster 5] , overleden op 25 februari 1988.

(ii) De nalatenschap bestaat uit onroerende zaken te Curaçao, waaronder een perceel met opstallen gelegen aan de [A-weg] te Curaçao (hierna: het perceel).

(iii) De nalatenschap moet worden verdeeld over zes staken. [verzoekers] vormen de staken 2 en 4. [verweerders 1 t/m 3] vormen de staken 3, 5 en 6. [verweerders 4 en 5] vormen staak 1.

In dit geding vorderen [verzoekers] onder meer veroordeling van [verweerders 1 t/m 3] en [verweerders 4 en 5] (hierna gezamenlijk ook: de overige erfgenamen) om over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap, met verrekening van de door de overige erfgenamen reeds genoten financiële voordelen wegens gebruik en vruchtgebruik van de gronden met opstallen die deel uitmaken van de nalatenschap, en aldus de overige erfgenamen te veroordelen aan [verzoekers] af te dragen, dan wel met [verzoekers] te verrekenen, een evenredig deel van de huurpenningen van het perceel.

Het gerecht heeft beslist dat de onroerende zaken uit de nalatenschap moeten worden verkocht en dat de verkoopopbrengst – na aftrek van een vergoeding van NAf 7.186,50 aan de staken 2 en 4 wegens kosten die [verzoekers] ten behoeve van de verdeling hebben gemaakt, en van een vergoeding van NAf 34.500 aan de staken 2 tot en met 6 uit hoofde van de netto huuropbrengsten uit het perceel die ten goede zijn gekomen aan staak 1 in de periode vanaf 1 december 2014 tot en met oktober 2018 – in gelijke delen aan elk van de zes staken moet worden uitgekeerd.

Het hof heeft het vonnis van het gerecht vernietigd. Het hof heeft alle tot de nalatenschap behorende onroerende zaken, uitgaande van een waarde van NAf 1.625.000, toegedeeld aan [verzoekers] (de staken 2 en 4) onder de verplichting van [verzoekers] jegens de andere staken tot betaling van een vergoeding uit overbedeling, en met bepaling “dat staak 1 ( [verweerders 4 en 5] ) NAf 111.000 aan gebruiksvergoeding [in beginsel] ter beschikking moet stellen”.

Het hof heeft zijn oordeel met betrekking tot de gebruiksvergoeding ten aanzien van het perceel als volgt gemotiveerd:

(tussenvonnis van 18 december 2020:)

“4.5. (…) Vooralsnog voelt het Hof sterk voor de praktische beslissing van het Gerecht (rov. 2.15-2.18 van het bestreden vonnis van 8 oktober 2018) om baten en kosten af te rekenen vanaf 11 november 2014, zijnde de datum waarop het verzoekschrift is ingediend tot ondercuratelestelling van de inmiddels overleden [betrokkene 1] . Men was het hierover aanvankelijk eens. Dat deelgenoten gedurende lange tijd niet afrekenen, maar wel kosten dragen, kan wijzen op stilzwijgende overeenstemming of rechtsverwerking. De vijfjarige verjaringstermijn is van toepassing. De praktische oplossing van het Gerecht zal de afwikkeling bespoedigen. Men komt anders spoedig in een moeras terecht terwijl deze

verdeling al langer duurt dan wenselijk is.”

(tussenvonnis van 26 juli 2022:)

“2.3. Wat betreft de genoten vruchten en gemaakte kosten wensen [ [verzoekers] ] kennelijk dat wordt teruggegaan tot 2000 of zelfs tot 50 jaar geleden. Zij stellen voortdurend ‘aan het lijntje te zijn gehouden’ met ‘lege beloftes’ en ‘zoethoudertjes’ en dat [verweerders 1 t/m 3] ‘de baas speelden’ over de zusters [betrokkene 3] en Anna. Het Hof houdt, mede om proceseconomische redenen, echter vast aan rov. 4.5 van zijn tussenvonnis van 18 december 2020 (…).”

(tussenvonnis van 24 oktober 2023:)

“2.8. Huurinkomsten moeten in beginsel worden verdeeld. Zie artikel 3:172 BW:

Tenzij een regeling anders bepaalt, delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.

Maar als het niet gaat om vruchten van de boedel, maar inkomsten van de gebruikende deelgenoot, dient in elk geval wel een gebruiksvergoeding betaald te worden. Er is dan sprake van gebruik ‘met uitsluiting van de andere deelgenoot’. Immers voor een goed dat huurinkomsten kan genereren zullen de andere deelgenoten wel belangstelling hebben.”

(tussenvonnis van 30 juli 2024:)

“2.7. Niet is komen vast te staan dat er inkomsten van de nalatenschap zijn geweest. De verhuur aan Marmer Curaçao was voor eigen rekening van de deelgenoot (maar wel is die deelgenoot een gebruiksvergoeding schuldig aan de nalatenschap; zie hierna).

(…)

Vooralsnog is het Hof van oordeel dat de gebruiksvergoeding beperkt is. Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 24 oktober 2023, rov. 2.3-2.10. Basis is artikel 3:169 BW. (…)

Wel staat vast dat staak 1 ( [verweerders 4 en 5] ) verhuurd heeft (onder andere aan Curaçao Marmer), voor eigen rekening. Het Hof gaat uit van een gebruiksvergoeding van NAf 750 per maand. Dit bedrag zijn [verweerders 4 en 5] schuldig aan de nalatenschap. Het Gerecht kwam uit op NAf 34.500 en het Hof wil vooralsnog

het Gerecht hierin volgen.”

(eindvonnis van 26 november 2024:)

“2.3. Thans gaat het om eventuele door deelgenoten verschuldigde gebruiksvergoedingen.

Het gaat hier - na 36 jaar - om de verdeling van de nalatenschap van [erflater 4] , overleden op 23 januari 1970 en [erflaatster 5] , overleden op 25 februari 1988. Het Hof heeft eerder al geoordeeld dat de gebruiksvergoeding beperkt is (tussenvonnis 30 juli 2024 r.o. 2.9) en ervan uitging dat de familieleden zich stilzwijgend (zij het voor sommigen wellicht knarsetandend) hebben neergelegd bij het gratis exclusief gebruik van onroerende zaken of bestanddelen daarvan door andere familieleden. (…) Het Hof gaat er voorts vanuit dat andere deelgenoten de onroerende zaken of bestanddelen niet zelf (commercieel of voor bewoning) wilden gebruiken, althans daarvoor geen concrete plannen hadden. Indien een niet-deelgenoot, zoals een kind van een deelgenoot, een onroerende zaak van de nalatenschap gebruikt (zie het proces-verbaal van de descente van 14 januari 2021, blad 3 boven), dan kan geen gebruiksvergoeding worden gevraagd. Voorts sluit het hof zich aan bij hetgeen door het Gerecht in rov. 2.18 van het eindvonnis is overwogen:

Afgezien van de verhuur aan Curaçao Marmer zijn door eisers en de overige partijen geen concrete aanwijzingen genoemd van commerciële exploitatie van delen van de nalatenschap sinds 11 november 2014. Namens de staken 3, 5 en 6 (mr. Bonapart) is er op gewezen dat onder de eerste generatie erfgenamen steeds in overleg en met ieders instemming met de onroerende zaken is omgegaan en dat tussen hen geen afrekening van bewoning (door moeder, door George) of ander gebruik werd verlangd. Voorts hebben zij onbetwist gesteld dat tegenover de voordelen die zij hebben genoten ook kosten hebben gestaan, die de voordelen overtreffen. Op grond daarvan bestaat onvoldoende aanleiding tot een verdere verrekening van voordeel en kosten, waaronder de door de staken 3, 5 en 6 (mr. Bonapart) opgegeven kosten van de verzorging van moeder en George.

[verzoekers] willen twintig jaar teruggaan. Kennelijk hebben zij twintig jaar zich verbeten en hun grieven opgespaard. Niet is gebleken dat zij ooit een rechtsvordering hebben ingesteld ten aanzien van eventuele door een deelgenoot verschuldigde gebruiksvergoedingen of eventuele door een deelgenoot geïnde vruchten van de nalatenschap. Zij hebben nimmer een stuiting gerealiseerd, ofschoon dat eenvoudigweg kan bij brief. Zij hebben nimmer aangestuurd op een overeenkomst omtrent het beheer van de nalatenschapsgoederen (behalve eenmalig en beperkt, 24 jaar geleden, waarvan de afloop onduidelijk is) of een regeling daarvan door de rechter (artikel 3:168 lid 2 BW). Zij hebben zich nimmer verzet tegen de exploitatie door kinderen van een deelgenoot. Hiertoe bestond alle gelegenheid. Al met al is het naar het oordeel van het Hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar voor [verzoekers] om thans gebruiksvergoedingen (zo al in beginsel verschuldigd) of geïnde vruchten van de nalatenschap (zo al

in beginsel verschuldigd) te vorderen over de tijd van vóór 11 november 2014.

Voorzover zou moeten worden aangenomen dat het gaat om louter stilzitten van [verzoekers] , is sprake van verjaring (zoals het Hof aanstipte in het eerste tussenvonnis, van 18 december 2020, rov. 4.5). In het kader van een verdeling is er ruimte voor verjaring. De regel dat de vordering tot verdeling niet verjaart (afgeleid uit artikel 3:178 lid 1 BW), staat daaraan niet in de weg. Het Hof heeft eerder, te weten op 18 juni 2019, AUA2017H00195 (rov. 2.19), in de zaak die leidde tot ECLI:NL:HR:2021:147, aangenomen dat jegens een deelgenoot die al meer dan 20 jaar bezitter (dus niet: houder voor de gemeenschap) was van goederen, de rechtsvordering van een andere deelgenoot tot beëindiging van dit bezit was verjaard. Zonder verjaring zijn heel oude boedels als de onderhavige (van 36 jaar oud) niet oplosbaar. Ook in Rancho, al was dit een boedel als bedoeld in artikel 200a e.v. BW, is verjaring toegepast (ECLI:NL:HR:2020:257). Vergoedingsrechten in het relatievermogensrecht, bij bestaan van een gemeenschap, verjaren in beginsel eveneens.

In het vijfde tussenvonnis, van 30 juli 2024 (rov. 2.12), is het Hof uitgegaan van een door staak 1 ( [verweerders 4 en 5] ) ter zake van [A-weg] verschuldigde gebruiksvergoeding van NAf 750 per maand. Tot 8 oktober 2018 (eindvonnis van het Gerecht) komt dit neer op NAf 34.500. Het Hof beslist thans in deze zin. Inmiddels zijn er, na 8 oktober 2018, ruim vijf jaar verstreken. Er komt bij: 62 maanden x 750 = NAf 46.500. Totaal wordt het NAf 81.000.

[verzoekers] stellen (…) dat [verweerder 4] lange tijd heeft gewoond op [B-weg] . Deze stelling is door staak 1 ( [verweerders 4 en 5] ) niet betwist (…). [verzoekers] stellen niet tot wanneer [verweerder 4] (of zijn moeder) er gewoond heeft. Het Hof stelt de gebruiksvergoeding in redelijkheid vast op NAf 500 per maand. Over vijf jaar is dat 60 x 500 = NAf 30.000.

Staak 1 ( [verweerders 4 en 5] ) is dus ter zake van [A-weg] en [B-weg] aan gebruiksvergoeding schuldig: NAf 111.000.

Het Hof heeft in deze procedure, met descente, uit de proceshouding van partijen altijd begrepen dat [verzoekers] - en ook andere deelgenoten - ten behoeve van de nalatenschap en niet ten behoeve van henzelf aanspraak maakten op gebruiksvergoedingen en dat de andere deelgenoten ermee instemden dat het ging om een aanspraak ten behoeve van de nalatenschap.”

3. Beoordeling van het middel

Bij de beoordeling van het middel dient tot uitgangspunt dat de in deze zaak relevante bepalingen van het Burgerlijk Wetboek Curaçao (hierna: BWC) – art. 3:9 lid 2 BWC, art. 3:169 BWC en art. 3:172 BWC – nagenoeg gelijkluidend zijn aan de art. 3:9 lid 2, 3:169 en 3:172 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek. Mede gelet op het concordantiebeginsel moeten de genoemde bepalingen van het BWC op dezelfde wijze worden uitgelegd als de daarmee corresponderende bepalingen van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek.

Onderdeel 1.2 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof over de huuropbrengsten uit het perceel.

Onderdeel 1.2.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat huuropbrengsten die zijn verkregen doordat onroerend goed van de gemeenschap wordt verhuurd aan derden, moeten worden gekwalificeerd als ‘vruchten’ of ‘andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert’ als bedoeld in art. 3:172 BWC. Het hof heeft daarmee miskend dat de huuropbrengsten naar evenredigheid hadden moeten worden verdeeld, aldus het onderdeel. Onderdeel 1.2.2 klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een uitzondering bestaat op de hoofdregel dat vruchten en andere opbrengsten evenredig moeten worden verdeeld, als sprake zou zijn van huurinkomsten ‘van een gebruikende deelgenoot’ als die deelgenoot zelf ‘voor eigen rekening’ een overeenkomst zou hebben gesloten en dat dan een ‘gebruiksvergoeding’ zal moeten worden betaald. Een dergelijke uitzondering is volgens het onderdeel niet vervat in de tekst van art. 3:172 BWC. Het hof lijkt de regeling over vruchten en andere voordelen van een gemeenschappelijk goed te verwarren met de regeling in art. 3:169 BWC over gebruik door een deelgenoot, aldus het onderdeel.

Art. 3:172 BWC bepaalt, voor zover hier van belang, dat de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen delen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, tenzij een regeling anders bepaalt. Vruchten en andere voordelen die een tot een nog niet verdeelde gemeenschap behorend goed oplevert, behoren aldus eveneens tot die gemeenschap. Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt (art. 3:9 lid 2 BWC). Huuropbrengsten zijn burgerlijke vruchten in de zin van laatstgenoemde bepaling.

Ingevolge art. 3:169 BWC is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is en tenzij een regeling anders bepaalt. Deze bepaling heeft mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding.

Het hof heeft ten aanzien van de huurinkomsten uit het perceel geoordeeld dat het niet gaat om vruchten van de boedel of inkomsten van de nalatenschap, maar om inkomsten van de gebruikende deelgenoot, dat de verhuur aan Curaçao Marmer voor eigen rekening van die deelgenoot was, dat er dan sprake is van gebruik ‘met uitsluiting van de andere deelgenoot’ en dat de gebruikende deelgenoot een gebruiksvergoeding schuldig is aan de nalatenschap (rov. 2.8-2.9 van het tussenvonnis van 24 oktober 2023, rov. 2.7 en rov. 2.9 van het tussenvonnis van 30 juli 2024 en rov. 2.10 van het eindvonnis, zie hiervoor in 2.4). Hiermee heeft het hof hetzij miskend dat – behoudens een andersluidende regeling, waarover het hof niets heeft vastgesteld – de huuropbrengsten van een gemeenschappelijk goed burgerlijke vruchten zijn waarin de deelgenoten delen naar evenredigheid van hun aandelen (art. 3:172 BWC, zie hiervoor in 3.3.1), hetzij zijn oordeel dat in dit geval sprake is van gebruik door een deelgenoot in de zin van art. 3:169 BWC (zie hiervoor in 3.3.2), onvoldoende gemotiveerd. De enkele vaststelling dat de deelgenoot het perceel ‘voor eigen rekening’ heeft verhuurd, is in dit verband niet een voldoende motivering. De hiervoor in 3.2 vermelde klachten slagen.

Onderdeel 2.3 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 2.5 van het eindvonnis dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is voor [verzoekers] om gebruiksvergoedingen of geïnde vruchten van de nalatenschap te vorderen over de tijd van vóór 11 november 2014.

Onderdeel 2.3.4 klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen die door [verzoekers] zijn ingenomen. Volgens het onderdeel is het hof niet kenbaar ingegaan op de stellingen van [verzoekers] dat voorafgaand aan de procedure sprake was van verscheidene vergaderingen, dat zij in dat kader verschillende pogingen en voorstellen hebben gedaan om tot een verdeling van de nalatenschap te komen, en dat sprake was van mondelinge aanmaningen en mondelinge afspraken die niet zijn nagekomen. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat door [verzoekers] nimmer zou zijn aangestuurd op een regeling in de periode voorafgaand aan 11 november 2014, aldus de klacht.

Deze klacht slaagt. Uit de in het onderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken blijkt dat [verzoekers] hebben gesteld dat zij – ook in de periode voorafgaand aan 11 november 2014 – verschillende pogingen en voorstellen hebben gedaan om de nalatenschap te verdelen en dat zij hebben aangevoerd dat al vanaf het jaar 2000 sprake was van mondelinge afspraken tussen de erfgenamen, die niet zijn nagekomen. Het oordeel van het hof dat [verzoekers] nimmer een stuiting hebben gerealiseerd, en nimmer hebben aangestuurd op een overeenkomst omtrent het beheer van de nalatenschapsgoederen (behalve eenmalig en beperkt, 24 jaar geleden, waarvan de afloop onduidelijk is), is in het licht van deze stellingen zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

De overige klachten van het middel kunnen onbehandeld blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 18 december 2020, 26 juli 2022, 24 oktober 2023, 30 juli 2024 en 26 november 2024;

- wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?